|
Mevrouw Juliana
Nu Juliana overleden is – 20 maart 2004 - staat ze
weer in het middelpunt van de belangstelling. Eén van de vragen die men in
vrijwel alle artikelen probeert te beantwoorden is de vraag, door wie ze tijdens
haar leven beïnvloed is. Het spreekt vanzelf, dat haar moeder Wilhelmina, en
haar man Bernhard, genoemd worden. Ook de namen van Greet Hofmans en de vrouw
van president Roosevelt, worden bij herhaling genoemd.
Hoewel ze zich terdege bewust was van haar positie als staatshoofd, was ze zeker
geen voorstandster van ‘het protocol’ en de manier waarop mensen met haar
meenden te moeten omgaan. Doe maar gewoon en noem me maar mevrouw in plaats van
majesteit of koninklijke hoogheid. Mijn vader heeft haar enkele malen ontmoet
en de volgende zin, die hij tijdens de maaltijd uitsprak heeft diepe indruk op
me gemaakt: “ Ze zat vandaag tijdens een concert naast me en ze vroeg of ik een
sigaret voor haar had. We bleken hetzelfde merk te roken.”
Dat een mens vooral gedurende
zijn jeugd sterk te beïnvloeden is, moge duidelijk zijn. Daarom ben ik van
mening, dat Jan Ligthart hier een belangrijke rol in heeft gespeeld. Niet zozeer
persoonlijk, hoewel Juliana hem wel gekend heeft. Zo lees ik in het boek: Jan
Ligthart, sa vie et son oeuvre, geschreven door J.W.L. Gunning en zijn vrouw
: ‘…en vlak daarna zat Jan Ligthart op de grond met het prinsesje te spelen’.
Juliana heeft vele jaren in een klasje gezeten, waar les gegeven werd in de
stijl van Ligthart. Aanvankelijk had Bertha Cohen Stuart hier de leiding en
later Anna van der Reijden. Beide onderwijzeressen waren bekend met de ideeën
van Jan Ligthart, beide onderwijzeressen hebben op zijn school in de
Tullingstraat gewerkt. Wilhelmina heeft persoonlijk in een courant uit die tijd
laten zetten: “Het onderwijs zal plaatshebben volgens de methode van de heer
Ligthart”.
In een artikel in de Haagsche Post van 27 oktober 1930 vertelt Anna over
Juliana als schoolmeisje. “ Van het eerste oogenblik af had ik begrepen, wat ik
dit jonge leven moest brengen. De Prinses moest eens kunnen ravotten en
stoeien.” Uit dit artikel blijkt verder, dat ze Juliana als een gewone leerling
behandelde. Zo af en toe verlieten ze het paleis, zodat Juliana het ‘gewone‘
leven ook eens van dichtbij kon zien. In de geest van Ligthart kwam ze zo in
aanraking met het volle leven. Juliana had vooral belangstelling voor vakken als
letterkunde en biologie. Vele jaren later heeft ze haar onderwijzeres thuis nog
wel eens bezocht.
Kort nadat Jan Ligthart overleden was, is zijn vrouw bij koningin Wilhelmina op
bezoek geweest. In een brief schrijft ze hierover onder meer: “De Koningin gaf
zich onbevangen, als een belangstellende moeder, bovendien als iemand die vader
had liefgehad. Wij vorsten zei ze hebben zoo’n behoefte aan menschen. Uw man was
een mensch, die zich gaf zooals hij was, goed, oprecht, geheel voor anderen
levend. Ze had zooveel gehoopt voor haar kind van vaders invloed, en zich
zooveel voorgesteld van gesprekken met vader. Ze liet het prinsesje binnenkomen,
een aardig verstandig kindje dat gewoonweg met me praatte als elk ander lief
kind. “
En al was het dan niet rechtstreeks, ik denk dat die invloed van Jan Ligthart
groter is geweest dan Wilhelmina en vele anderen met haar hebben kunnen
vermoeden.
Carl Doeke Eisma
Jan Ligthart 1859-1916
Aan het begin van dit artikel blijkt maar
weer eens, dat het onmogelijk is om Jan Ligthart een plaats in de lange rij van
– al of niet wetenschappelijk geschoolde - opvoeders te geven. Noordam komt dan
ook niet verder dan: ‘ Ligthart was een man, die hartstochtelijk modern mens
wilde zijn.’ Kennelijk heeft hij dit tijdens zijn leven al aangevoeld, zoals
blijkt uit de opmerking: ‘ Wanneer jullie mij in een laatje willen stoppen,
springt Jantje er net weer uit, wanneer het laatje dichtgaat’, of woorden van
gelijke strekking. Zo te zien heeft Noordam het hier moeilijk mee. Want ook al
was Ligthart volgens hem geen systematicus of wijsgerig geschoold denker, hij
hoort zijn plaats te weten, of liever; wij horen die te weten. Overigens staat
hij hier niet alleen in. In vrijwel alle boeken en artikelen, die over Jan
Ligthart geschreven zijn, kom ik deze vraagstelling tegen. Wie heeft –of hebben-
hem beïnvloed ? Mogen we hem de Nederlandse Pestalozzi noemen? Wat was zijn
betekenis voor het nageslacht? Laten we het er maar op houden, dat hij iets
unieker was dan de meesten van ons.
In algemene zin maakt Noordam
in dit artikel gebruik van het principe van de inlegkunde. Zo kan een citaat uit
z’n verband gerukt worden en tot levensmotto verheven worden. Enkele
voorbeelden. Nadat Ligthart eens tegen een van zijn leerlingen gezegd had dat
alles ontgoocheling is, gaat Noordam er vanuit, dat dit centraal staat in zijn [
Ligtharts] levensboek. De opmerking ‘ ik schrijf gemakkelijk met moeite’ geeft
Noordam aanleiding om te veronderstellen, dat hij met een stroeve pen schreef.
Deze inlegkunde kan ook tot
gevolg hebben, dat er conclusies getrokken worden, zonder dat deze onderbouwd
worden. Zo zou het joodse element in zijn familie en zijn leven [ zijn vrouw was
van joodse afkomst ] het verlangen naar het echte zuivere in de hand gewerkt
hebben en bovendien de afkeer van schijnwaarden tot gevolg gehad hebben. Ook zou
hij zich hierdoor nergens thuis hebben gevoeld. De zin: ‘…want alleen vanuit het
geloof kon hij leven en alleen vanuit het geloof is hij dan ook te begrijpen’,
roept op z’n minst enkele vraagtekens op!
De zin: ‘Daarom kon Ligtharts
zaakonderwijs zo inslaan’ berust helaas op een misverstand. De methode Het volle
leven is nauwelijks – en dan zeker op de manier die Ligthart, Scheepstra en
Walstra voorstonden – gebruikt.
Aan het slot noemt hij Ligthart
maar een gewone schoolmeester en zijn stijl van schrijven noemt hij wat traag
soms, hij spint te veel uit.
Ik heb sterk de indruk, dat de
schrijver van dit artikel weinig van Jan Ligthart begrepen heeft.
Carl Doeke
Eisma
De religieuze problematiek van Jan
Ligthart in verband met zijn opvoedingsdenkbeelden
In grote trekken kunnen we hier
van een herhaling van het voorgaande artikel spreken. Het feit echter dat het
een plaatsje kreeg in het herdenkingsnummer, honderd jaar na zijn geboorte
uitgegeven en opgedragen aan de beide dochters van Jan Ligthart, geeft er toch
meer diepte aan. (‘ Uit dankbaarheid aan Jan Ligthart, vernieuwer van opvoeding
en onderwijs’, zo lees ik op een van de eerste bladzijden.) Ook hier worden de
joodse elementen weer met nadruk vermeld. Eén van zijn overgrootvaders was jood
en de joodse afkomst van Marie, zijn vrouw, worden met nadruk genoemd. Jan en
Marie hebben elkaar leren kennen op een school in een Amsterdamse volksbuurt,
waar veel joodse kinderen les kregen. De schrijver spreekt van verwaarloosde en
verziekte joodse kinderen. ( Zou hij zieke kinderen bedoelen?) Hij citeert
Marie, die gezegd zou hebben: ‘ hier zag ik hem eens met zo’n vuil klein
jodenkind,…’ . De originele tekst spreekt van een kind dat er smerig uitzag.
Zuiver citeren lijkt me een eerste vereiste in een artikel van dit niveau. ‘Zo
begon voor hem een weg van lijden en ellende, want bij alle problemen die
Ligthart kende, hield dit [ het geloof ] hem het meest bezig en hij is er
eigenlijk nooit uitgekomen.’ Dat hij hier zijn hele leven mee geworsteld heeft –
wie niet – mag duidelijk zijn, maar die weg van lijden en ellende herken ik
zeker niet. Vrijwel aan het einde van dit artikel trekt Noordam de conclusie: ‘
Zo was hij bestemd om te worden een eenzaam mens, niet of slecht begrepen en
dikwijls beklad.’ Ook uit deze zin blijkt dat de schrijver weinig van Ligthart
begrepen heeft. Eenzaam was hij zeker niet, omgeven door de liefde en het
respect van vrouw, kinderen en vrienden, wel degelijk begrepen en slechts een
enkele maal beklad, al zou ik dit woord hier niet gebruikt hebben.
Carl Doeke Eisma
De plaats van Scheepstra in het
auteursdriemanschap Hoogeveen, Ligthart en Scheepstra
‘ Wel liepen er geruchten die stelden: Ligthart
maakte alleen de versjes en Scheepstra schreef de boekjes. Zoals zo dikwijls
bevatten deze geruchten een kern van waarheid ‘, zo schrijft Noordam naar
aanleiding van de vraag hoe al die prachtige schoolboekjes zijn ontstaan. Ik kan
hier kort zijn: onzin!
Na het lezen van een groot aantal brieven, zowel die van Scheepstra, als die van
Ligthart is duidelijk geworden, dat Jan Ligthart hier een veel groter aandeel in
heeft gehad. ( Zie: ‘Meester Ligthart, Wim, Zus, Jet en al die andere kinderen.)
Als voorbeeld: van de 12 deeltjes die onder de titel: De wereld in verschenen
zijn, zijn er 8 door Ligthart geschreven.
De bewering dat Scheepstra meer wetenschappelijk werkte dan Ligthart –nog los
van de vraag wat we hier onder het woord wetenschappelijk moeten verstaan- waag
ik te betwijfelen en de toevoeging, dat Ligthart artistieker was –gevolgd door
de opmerking ‘of zich althans zo voelde’ [ ! ], ligt voor mij op hetzelfde vlak.
‘Mogelijk is ook dat Ligthart, [ in dit artikel schrijft Noordam eenmaal:
Lighthart, maar die fout wordt wel meer gemaakt…] die voordat ‘Ot en Sien’
verscheen al een gevierd man was die veel buitenlands bezoek kreeg en wie een
zekere ijdelheid niet vreemd was, zich te gemakkelijk de verdienste van anderen
aan zich liet toeschrijven, althans geen tegenwerpingen maakte indien dit
geschiedde.’ Dit gaat mij te ver! Wie zich echt verdiept in het werk van Jan
Ligthart komt een andere man tegen. Uiteraard zeker geen heilige, maar hij zou
zelf de eerste zijn om dit – waarschijnlijk op ironische wijze – toe te geven en
een zekere ijdelheid kennen we allemaal, maar de conclusie dat hij hier te
gemakkelijk mee om zou gaan raakt kant noch wal. Kortom, ook hier blijkt weer,
dat Noordam niets van deze schoolmeester uit de Schilderswijk begrepen heeft!
Carl Doeke Eisma
Jan Ligthart, een
uitzonderlijk pedagoog
Onder deze titel heeft Laura
Reedijk- Boersma enige tijd geleden in het blad ‘Boekenpost’ een bijdrage
over Jan Ligthart geschreven. Een prima verhaal, ook al
staan er enkele onjuistheden in.
Zo schrijft ze, dat hij in het jaar 1885 inmiddels allerlei akten behaald zou
hebben. Behalve de ‘acte van bekwaamheid als hulponderwijzer’ en de ‘akte van
bekwaamheid als hoofdonderwijzer’ [ zoals u ziet is de spelling in de tijd
tussen die twee veranderd ] heeft hij nooit meer een akte behaald. Dit wil
overigens niet zeggen, dat hij zijn kennis niet vergroot zou hebben. Het
tegendeel is eerder waar, maar hij geloofde niet erg in dit soort studies en
zeker niet in de manier van examineren, zoals in die tijd gebruikelijk was.
Min of meer aan het eind van haar artikel schrijft ze dat hij aan het eind van
zijn leven in Laag-Soeren, in het sanatorium, behandeld werd voor zijn
depressies. En hoewel hij enkele malen door depressies gekweld werd, bevond hij
zich op dat moment samen met zijn vrouw Marie om andere redenen in een badhuis
in Laag-Soeren. Hij had vooral last van oorsuizingen en slapeloosheid. In die
tijd was men van mening, dat rust en het gebruikmaken van koude en warme baden
een oplossing konden bieden.
Van een totaal andere orde is echter het navolgende. ‘Onlangs is echter door Jan
Niemeijer onthuld dat niet Ligthart maar zijn vriend Scheepstra de meeste
boekjes heeft geschreven en dat Ligthart daar dan meestal alleen commentaar op
gaf en door hem geschreven gedichtjes aan toevoegde’, zo lees ik.
Deze volkomen verkeerde voorstelling van zaken lees ik niet voor het eerst en
daarom wil ik hier een poging ondernemen om de juiste gang van zaken weer te
geven. Laat het echter duidelijk zijn, dat niet de schrijfster van dit artikel,
maar de door haar geciteerde Jan Niemeijer schuldig is aan deze verkeerde
voorstelling van zaken. Jan A. Niemeijer – een journalist uit Groningen – heeft
enkele prachtige boeken over de tekenaar Cornelis Jetses samengesteld. Dit
prachtige slaat overigens voor het grootste gedeelte op de illustraties van
Jetses. In het boek ‘Kijk, Ot en Sien’, komt de samenwerking tussen
Ligthart en Scheepstra uitgebreid aan de orde. ‘De pedagoog Ligthart liep hier
de schrijver Scheepstra aardig voor de voeten’, zo schrijft hij op bladzijde 43.
( Voor de duidelijkheid: het betreft hier de vier deeltjes ‘Nog bij Moeder’.
) In het boek: ‘Meester Ligthart, Wim, Zus, Jet en al die andere kinderen’,
staat de zin: ‘De volkomen samenwerking van twee mannen die met hart en ziel aan
het onderwijs, aan het kind verbonden waren’. Ik hou het maar op deze laatste
zin, al is het wel zo, dat de versie van Jan A. Niemeijer hiermee naar het rijk
der fabelen wordt verwezen! Al lezende in de brieven van Jan Ligthart aan
Hindericus Scheepstra en de brieven van Hindericus aan Jan – en niet te vergeten
een brief die de vrouw van Jan vele jaren na zijn dood over dit onderwerp
geschreven heeft – wordt duidelijk hoe die hele serie boekjes is ontstaan. Beide
schrijvers waren aan elkaar gewaagd en dat gold ook voor Cornelis Jetses.
Wanneer één van hen kritiek leverde op het werk van de ander, dan werd hier naar
geluisterd en vervolgens werd er rekening mee gehouden. Jetses was zelfs bereid
details in zijn tekeningen te veranderen en toen Scheepstra eens te kennen gaf,
dat hij bepaalde teksten van Jan Ligthart onder de maat vond, verscheurde Jan
die teksten. Wél is het zo, dat Scheepstra vooral de gave had, om boekjes voor
jonge kinderen te schrijven. Zeker na enkele aanwijzingen van Ligthart.
‘Ligthart heeft me losgewrikt’, heeft Scheepstra volgens de vrouw van Jan gezegd
en in een van de vele brieven schreef Jan: ‘Je hebt ’t genie voor ’t kleine
grut, En bent nog lang niet uitgeput.’ Er was zeker geen sprake van een ‘voor de
voeten lopen’. De volkomen samenwerking van deze drie mannen heeft al die
prachtige boekjes – en laten we de schoolplaten en de leesmethode niet vergeten
– doen ontstaan.
Carl Doeke Eisma
Over het kunstwerk van Ot en Sien
In Tirade 200 ( 1974 ) gaf
Geert van Oorschot aan, dat ‘Ot en Sien’ een kunstwerk zou zijn, zo valt in dit
artikel te lezen. Mirjam vraagt zich af hoe je over het kunstwerk van Ot en Sien
moet schrijven, als je niet vindt, dat Ot en Sien een kunstwerk is. Ze heeft
haar best gedaan, dat valt niet te ontkennen.
Hierbij heeft ze gebruik gemaakt van een uitgave uit 1974, die naar de
oorspronkelijke editie van 1911 is uitgegeven. ( Even voor de duidelijkheid, de
allereerste versie van dit verhaal is in 1904 en 1905 in vier stukjes verschenen
onder de naam: ‘Nog bij moeder’, in 1906 gevolgd door een huiskameruitgave onder
de titel ‘Het boek van Ot en Sien’. )
Laat ik vooropstellen, dat de
gedachte, dat we hier met een kunstwerk te maken hebben nooit bij mij opgekomen
zou zijn. Ik durf te stellen, dat dit ook het geval was bij de auteurs,
Hindericus Scheepstra en Jan Ligthart. In het voorbericht van de eerste druk
spreken ze van ‘Door-ren-boekjes’. De kinderen moeten na het aanvankelijk lezen
vaardigheid opdoen, ‘En die krijgen ze het best, door eenige en liefst vele
boekjes te lezen, die noch door inhoud noch door taal telken keer tot oponthoud
verplichten. Boekjes dus, die ze zoo maar achter elkaar door kunnen rennen’.
Wat moeten we eigenlijk onder een kunstwerk verstaan? Moeilijk onder woorden te
vangen lijkt me, hoewel, voor Mirjam is dit geen probleem. ‘… eigen invallen,
waardoor je steeds voor verrassingen komt te staan. In de war raakt. Nadenkt
over dingen waar je eerder nooit over nadacht. Dingen anders ziet. Nieuwe dingen
ziet. En dát maakt iets nu juist wel tot een kunstwerk.’ U begrijpt het al, hier
kunnen Ot en Sien niet aan voldoen. ‘Wat een trutten!’, om met de woorden van
Mirjam te spreken. Het is waarschijnlijk niet tot haar doorgedrongen, dat deze
boekjes zo’n honderd (!) jaar geleden geschreven zijn en voor die tijd zeer
modern waren. De vergelijking met het gedrag van de Otten en Sienen van deze
tijd gaat uiteraard volledig mank.
Halverwege
haar betoog heeft ze gemeend zelf een verhaaltje in de stijl van Ot en Sien te
moeten schrijven. En alsof dat niet meteen duidelijk was, vervolgt ze: ‘Het
verhaal komt in het boek niet voor; het is door mij in een kwartiertje in elkaar
geknutseld. Met andere woorden; je draait er je hand niet voor om. Het procédé
is simpel,…’ Is hier sprake van enige zelfoverschatting?
Maar wat voor mij de deur dicht deed, is het feit, dat ze meent haar vader
publiekelijk voor schut te moeten zetten. Ze deelt de lezer mede, dat hij een
parodie op de tuttigheid van Ot en Sien op een prikbord in haar ouderlijk huis
had opgehangen. Sterker nog, ze kent het nog steeds uit haar hoofd. Ik wil u de
eerste vijf regels niet onthouden:
Bloed op de stoep
Daar is pa.
Weg lul, zegt moe, ik moet jou niet.
Moe pakt een mes, zij steekt pa neer.
O, o, wat een bloed.
Ter verduidelijking voegt ze
hieraan toe, dat ze een kind uit de jaren zeventig is en dat verklaart veel. Dit
soort teksten trof men toen in vrijwel alle huishoudens aan, zoals ik mij als
oud-provo en kabouter herinner. ( Grapje ) Overigens heeft de auteur van deze
opwekkende tekst de manier van schrijven van Scheepstra meesterlijk nagebootst,
in tegenstelling tot Mirjam zelf.
Wat een flut verhaal.
Carl Doeke Eisma
Het geheim van
aap-noot-mies
Dit artikel begint met een
ontboezeming van Annie M. G. Schmidt:
Ik weet nog hoe ze kwamen toen
ik klein was. De letters …
Eerst apart, toen in juichende rijen, de hele aap, de hele noot en een complete
mies. Een optocht was het, met fanfares met veren en met wapperende jassen en
allemaal met kroontjes op, herauten die plechtig spraken:
Ziehier de sleutel.
Tot wat?
Tot alles.
En zo was het.
Van Ot en Sien naar Jonathan Swift en meer en meer, de hele Bibelebontse berg,
een boekenleven lang. …
Aap-noot-mies. Ot en Sien.
Vertrouwde figuren uit de leesmethode van Hoogeveen, Ligthart en Scheepstra, met
illustraties van Jetses. Op Annie M. G. Schmidt hebben ze een onuitwisbare
indruk gemaakt. En niet alleen op haar, generaties kinderen hebben ermee leren
lezen en vrijwel iedereen kent de figuren van de leesplank. Aap-noot-mies is een
begrip, dat is duidelijk. Maar waarom? Wat is er zo bijzonder aan, zo vraagt de
schrijver zich af.
In De allermooiste boeken
voor kinderen ( De Bijenkorf 1990 ) staat onder meer: ‘Men schaft het ( Het
boek van Ot en Sien ) aan om de onovertroffen plaatjes van Jetses, en heeft dan
al voorlezend onverwacht literatuur op schoot. De talloze simpele, uit het
kleuterleven gegrepen verhaaltjes uit onze eigen tijd verbleken naast het
meesterwerk van Ligthart en Scheepstra. Zo weinig lettergrepen per woord, zulke
geringe wederwaardigheden en toch ontstaat uit bijna niets authentieke spanning
en ontroering. Het is alles tijdloos en van hetzelfde levensbelang als wanneer
het je eigen kind overkomt.’
Literatuur? Is dat het geheim
van Ot en Sien? En hoe zit dat dan met aap-noot-mies? Zeker, de woorden van de
leesplank zijn zorgvuldig gekozen en gerangschikt, maar om dat nu literatuur te
noemen? De dichter Cees Buddingh vindt van wel, zonder blikken of blozen
schrijft hij het gedicht:
|
aap
noot
mies
wim
zus
jet
teun
vuur gijs
lam kees bok
weide
does
hok duif schapen
|

|
Zo’n reeks heeft iets
betoverends, iets bezwerends. Omdat het poëzie is. Klank en ritme, een muzikaal
karakter, hardop zeggen, uit het hoofd leren, het zit er allemaal in.
Aap-noot-mies, Ot en Sien, allemaal literatuur. Dat is natuurlijk geweldig, en
zeker voor zoiets als een leesmethode. Maar is het ook effectief? Leren de
kinderen zo ook werkelijk lezen, want daar gaat het toch uiteindelijk om.
De leesplank
Die woorden, daar is goed over nagedacht. Het zijn zogenoemde normaalwoorden,
dat wil zeggen ze zijn klankzuiver.
Scha-pen is een uitzondering op de regel, vandaar het streepje boven de letter
a, weide heeft een kleine e, vanwege de stomme klank. De stip op de o van bok,
omdat die anders klinkt dan de o in hok is wel wat overdreven. [ In het
noorden werd deze o anders uitgesproken, vandaar. Zowel Hoogeveen als Scheepstra
kwamen uit het noorden. –cde- ]
Aan alles is gedacht, toch blijven er raadsels. Alles is oer-inheems, alles
is door de kinderen al honderd keer gezien. Alleen die met de muts zwaaiende aap
op het dak… Die aap is inderdaad een vreemd element. [ In de tijd waarin deze
woorden door Jan Ligthart met vrouw en kinderen en Hindericus Scheepstra met
vrouw en kinderen – en waarschijnlijk ook leerlingen van de Kweekschool, waar
Scheepstra les gaf – bedacht werden, kon men in dorpen en steden rondtrekkende
‘kermisklanten’ aantreffen, die een aap – al of niet samen met een orgeltje – of
een beer kunstjes lieten doen. –cde- ]
De vertelplaat
De vertelplaat geeft een beeld van het knusse dorpsleven. Alle figuren van de
leesplank zijn er op terug te vinden, alles heeft zijn plaats.
En dan opeens in een flits herken ik de honden Does en Kees. Natuurlijk, ze
horen bij de man met de baard en bij de aap met het rode jasje. Het zijn oude
bekenden uit Alleen op de wereld. Teun. Aap. Kees. Does. Ze verwijzen
naar Vitalis met het aapje Joli-Coeur… Of zie ik dat verkeerd?
[ Helaas heb ik in de briefwisseling tussen Ligthart en Scheepstra geen
aanwijzingen voor deze uiterst interessante opmerking kunnen vinden. Hector
Malot schreef ‘Sans Famille’ in 1878 en de eerste Nederlandse versie kwam in
1880 op de markt, dus het ligt voor de hand dat een van hen, of de vrouw van Jan
Ligthart, Marie, die grote belangstelling voor kinderboeken en boeken in het
algemeen had, dit boek gelezen heeft. –cde- ]
De
handboeken
Het handboek is zeer beknopt en telt slechts 150 pagina’s. Heel wat minder dan
de zwaargewichten van tegenwoordig. Dat kan omdat de leerkracht als de
deskundige wordt gezien die verantwoordelijk is voor het onderwijs. (!) Ook de
kinderen worden serieus genomen… Volgens Hoogeveen is het van essentieel belang
dat kinderen hun vertrouwen in het systeem niet kwijtraken, want het gaat er
niet alleen om dat ze leren lezen, het gaat ook om het leren denken. En hiermee
was Hoogeveen zijn tijd ver vooruit.
Leesboeken
De eerste leesboekjes bij de methode vallen eerlijk gezegd wat tegen. De
illustraties van Jetses zijn prachtig, sfeervol en warm, maar de verhaaltjes
zijn nogal houterig en plichtmatig. Natuurlijk, vooral in het begin zijn er
allerlei beperkingen, maar dan nog had het beter gekund. Maar dan, als het kind
de eerste beginselen onder de knie heeft, komen Ot en Sien. Hier heeft
Scheepstra meer de vrije hand gehad en ondanks de korte zinnen is de sfeer
meteen anders: warm, intiem en persoonlijk. [ De schrijver van dit artikel
geeft hier het verschil tussen teksten voor kinderen die nog niet kunnen lezen
en kinderen die dat al wel kunnen aan. Vandaar de vele herhalingen en de wat
houterige stijl. –cde- ]
Een schoolhoofd verzucht: Hoe aardig de leesboekjes van nu er ook uitzien,
het is nog maar de vraag of ze het niveau halen van de boeken van vroeger. Boze
tongen beweren zelfs dat met het terzijde schuiven van de methode-Hoogeveen het
leesonderwijs een gevoelig verlies heeft geleden.
Carl
Doeke Eisma
De
aardrijkskunde van Gerard Jan Ligthart
De Haagse onderwijzer Jan
Ligthart keerde zich tegen ‘de vervloekte kunst om het leren tot een ellende te
maken, tot een hersenkwelling en zenuwvernieling’. Als reactie ontwikkelde hij
een eigen lesmethode die ‘het volle leven’ centraal zette. Ook de huidige
aardrijkskundeles kan nog wat opsteken van Ligthart.
Zoals de huidige
onderwijspraktijk beheerst wordt door debatten over basisschool, middenschool,
basisvorming, studiehuis enzovoorts, zo kende onderwijzend Nederland aan het
begin van deze ( de vorige ) eeuw ook zijn discussies over vorm en inhoud van
het onderwijs. Het lijkt wel alsof de opvattingen over het onderwijs als een
slinger heen en weer bewegen tussen een meer leerlinggerichte en een meer
leerstofgerichte visie op onderwijs, tussen de ontplooiingsschool en de
kwalificatieschool. In het ene geval staan de mogelijkheden en de belangstelling
van de leerlingen en de aantrekkelijkheid van het onderwijsaanbod centraal, in
het andere geval de leerstof en de samenleving waarop het onderwijs kinderen
moet voorbereiden.
Die discussie speelde ook aan
het begin van deze ( de vorige ) eeuw. In de ogen van velen was het onderwijs
van die tijd veel te veel leerstofgericht. Kinderen zouden grote hoeveelheden
feitenkennis moeten opnemen tijdens uiterst saaie en onaantrekkelijke lessen. Er
kwam een vernieuwingsbeweging op gang die er voor pleitte in het onderwijs de
ontwikkeling en ontplooiing van het kind tot een evenwichtige persoonlijkheid
centraal te stellen. Niet langer zou de leerstof de dienst mogen uitmaken. Het
zou moeten gaan om het volgen van de belangstelling, de ontwikkeling en de eigen
interesse van het kind. Onder deze onderwijsvernieuwers was ook de Haagse
schoolmeester Jan Ligthart.
Het volle leven
Ligthart was vooral een man van de praktijk. Zijn beschouwingen over het
onderwijs waren geen vrijblijvende speculaties, maar werden geboren uit de
praktijk van het onderwijs aan zijn school in de Haagse Tullinghstraat. Daar
probeerde hij concreet vorm te geven aan het zaakonderwijs zoals hij dat zag. In
de praktijk moest het leerplan kinderen heel dicht bij de werkelijkheid brengen.
Het ging er om dat kinderen gaandeweg op school een wereld zouden gaan bewonen,
die door spel, arbeid en vertelling in het leven werd geroepen en waarin ze
kennis konden verwerven van mensen, dieren, planten, dingen, bedrijven, vormen,
maten, kleuren enzovoorts.
Kenmerkend voor Ligtharts zaakonderwijs is de oprechte belangstelling voor alles
wat het volle leven te zien geeft. Als bevlogen schoolmeester en begenadigd
verteller voerde hij zijn leerlingen mee, de wereld in. Met zijn zaakonderwijs
markeerde Ligthart een belangrijk moment in de geschiedenis van de Nederlandse
didactiek.
Bijna een eeuw later, kunnen we
ons de vraag stellen of we ook nu nog wat zouden kunnen leren uit het werk van
Jan Ligthart. Wat we in onze tijd in het
aardrijkskundeonderwijs zien is een beweging waarbij we proberen kinderen steeds
meer actief bij de stof te betrekken. Methoden bevatten steeds minder tekst en
steeds meer vragen en opdrachten. De meest recente ontwikkeling, het studiehuis,
is daarvan een prachtig voorbeeld. Door leerlingen zelf actief met de stof bezig
te laten zijn worden betere leerresultaten verwacht. Bij Ligthart zien we
evenwel dat niet de activiteit op zich het leren stimuleert, maar slechts die
activiteit, die door echte belangstelling gedragen wordt. En voor die
belangstelling zijn in de eerste plaats verband en samenhang van verschijnselen
belangrijk, het levensverband van het volle leven, en dat zijn zaken die door de
grote nadruk op eigen activiteit nogal eens ondersneeuwen. Wil de aardrijkskunde
kinderen bij de werkelijkheid brengen, dan moeten ze terug naar het verhaal van
de geschiedenis van mens en wereld.
Willen we ons vak als oriëntatie van kinderen in de wereld serieus blijven
nemen, dan moeten we weer leren kinderen bij de werkelijkheid te brengen, om hen
pas dan met die werkelijkheid, die hen uitnodigt en die hen uitdaagt, zelf
actief aan het werk te laten zijn.
[ Ik had het niet mooier kunnen zeggen. –cde- ]
Carl Doeke Eisma
'En
eindelijk kwam de groote vijand Dr Gunning'
In een brief, die de vrouw van Jan Ligthart in 1930
vanuit Zuid-Afrika naar een vriendin in Nederland stuurde, gaf ze onder meer
haar mening over de houding van Johannes Hermanus Gunning ( 1859-1951 ) ten
opzichte van haar man.
“Hij heeft mijn man dikwijls ontmoet en was altijd hoog en koel, afschuwelijk
verwaand tegenover hem. In het begin bewonderde mijn man Gunning oprecht. Zeker
niet om zijn academische opleiding. Als je je nog iets van Jan Ligthart
herinnert weet je wel dat hij die hele academische opleiding, om het ruw te
zeggen ‘aan zijn laars lapte’. Maar de naam Gunning had vroeger voor elke
ontwikkelde Amsterdammer een goeden klank. De dragers van dien naam behoorden
tot de grooten naar den geest. En wij gewone burgermenschen zagen tegen dat
geslacht met zekere vereering op. Maar Gunning was jaloersch op de populariteit
van Ligthart. Hij kon niet velen dat een man uit het volk opgekomen, en nog wel
zonder academische opleiding een tijdlang een reputatie had die de zijne zeer
verre overtrof. Hij nam elke gelegenheid waar om Ligthart af te breken. Mijn man
heeft veel hinder gehad van de houding van Gunning. Gunning was altijd jaloersch
op mijn man en hij is het zelfs nu nog. Hij is een geweldige autocraat en erg
verwaand.”
Wie was deze verwaande autocraat?
In het Biografisch Woordenboek van Nederland ( deel 5 ) las ik onder
andere het volgende over hem:
Jan Gunning stamde uit een vooraanstaand, academisch geslacht en groeide vanaf
zijn zesde op in Amsterdam, als oudste zoon in een hoogleraarsgezin van acht
kinderen. Na het gymnasium ging hij aan de Universiteit van Amsterdam klassieke
talen studeren. Na deze studie aanvaardde hij een betrekking als leraar Grieks
en Latijn aan het gymnasium in Utrecht. In 1888 werd hij conrector van het
gymnasium te Zwolle en later rector. In 1898 werd hij privaatdocent in de
praktische en theoretische pedagogiek aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. In
1902 werd hij schoolopziener en privaatdocent in Amsterdam. In 1917 werd hij
wederom privaatdocent in Utrecht en later buitengewoon hoogleraar. ( Hij was de
eerste door de rijksoverheid betaalde hoogleraar in de pedagogiek in Nederland.)
Door afkomst, eruditie en enorme werkkracht was Gunning een man van groot gezag,
die zich, vooral in familiekring, maar ook soms daarbuiten, patriarchaal en
enigszins regentesk gedroeg.
Op 4 maart 1916 – kort na het
overlijden van Jan Ligthart – schreef Gunning als redacteur van ‘Het Kind’
een artikel in voornoemd blad. Hij had het hier moeilijk mee. Na een lovend
begin, schrijft hij het volgende: “ Voor mij persoonlijk echter kwamen hier nog
twee hinderende omstandigheden bij, ten eerste dat ik in Amsterdam woonde en
werkte, waar men van de Haagsche omgeving weinig merkt en er ook geen aanraking
mede zoekt, waar ook op de scholen heel weinig van Ligthart’s invloed te
bespeuren viel, eerder van oppositielust daartegen, en ten tweede, dat hij bij
persoonlijke ontmoetingen tegen over mij een beminnelijke nederigheid ten toon
spreidde, waar ik hem niet dankbaar voor kon zijn, omdat zij mij feitelijk op
afstand hield, zoodat ik dan ook slechts één enkele maal, in een onvergeetlijk
oogenblik, maar welks intimiteit alle verdere mededeeling verbiedt, toegelaten
ben tot een vluchtigen blik door de even geopende deur van zijn ziel.”
Dat Gunning en Ligthart elkaar
niet lagen is inmiddels wel duidelijk geworden.
In een brief van 28 December 1913, geschreven door Marie, de vrouw van Jan
Ligthart, en gericht aan hun dochter Marie ( Lieve Zusselijne ) , beschrijft
Marie hoe ‘de bovenmeesters’ reageerden op een door Jan Ligthart gehouden
speech, met als onderwerp de methode ‘Het volle leven’.
“Vader en ik zijn weer veilig thuisgekomen. Het is Zondagmiddag. Vader ligt
nog wat te rusten en ik wil van het beetje licht dat er nog is gebruik maken om
je nog even te vertellen hoe het gisteren gegaan is. We zijn heel tevreden en je
weet, dat ben ik niet gauw. Vader heeft een kranige speech gehouden, die de
bovenmeesters echter ( natuurlijk ) niet overtuigd heeft. Er heerschte bepaald
een min of meer vijandige stemming in de zaal, zooalniet ( of misschien toch ook
) tegen de persoon van Jan Ligthart, dan toch zeker tegen zijn methode,
zaakonderwijs en concentratie. Vader sprak een goed uur, rustig en kalm met
grootte zeggingskracht en ze waren een oogenblik onder den indruk. Maar toen
barstte het los. Eerst vriend Verburg die hoonend vroeg of we het nu over het
zaakonderwijs gingen hebben ( donderend applaus! ) en op het bevestigend
antwoord met een heele rij grieven over ‘het Volle Leven’ aankwam. Vader die
hierop ten volle had gerekend diende hem daarop netjes, tot groot genoegen van
v.d. Meulen die naast hem zat en zich al doodgeergerd had. Verburg droop
letterlijk af als een kwajongen die in een hoek werd gezet. Toen kwam vriend
Nieuwenburg op de proppen. Die haalde iets aan uit de handleiding ( geheel uit
z’n verband natuurlijk ). Dat is oneerlijk riep vader, en v.d. Meulen en Vrij en
nog een paar. Nieuwenburg woedend. Maar vader zei, mag ik het boekje ook eens
van U? Hij gaf het, en nu las vader heel duidelijk en klaar een stuk voor
waaruit duidelijk bleek dat N. met opzet of per ongeluk de zaak verkeerd had
voorgesteld. Nieuwenburg onthutst af. Dat was de lui niet naar den zin, maar
niemand durfde op te komen. Ze mompelden maar durfden niet voor den dag komen.
Vader was vol strijdlust en daagde iedereen uit om op te komen met z’n grieven.
Hij wou hier tot tien uur blijven staan ( v.d. Meulen tot ons, ja, maar dat mag
hij niet van ons ) Maar niemand kwam. Toen sprong Anton Schreuder op vol
verontwaardiging en verweet de vergadering haar onwaardige houding en stelde Jan
Ligthart hen tot een voorbeeld, zei dat de menschen trotsch op hem moesten zijn
enz. En eindelijk kwam de groote vijand Dr Gunning. Die bracht eerst in
hartelijke zeer waardeerende woorden een eeresaluut ( dat de vergadering niet
smaakte ) aan de persoon van Jan Ligthart, als mensch en als schoolmeester, een
man die alles kon, als Pestalozzi en Fröbel, maar die doordat hij evenals zij
gedaan hadden, z’n volgelingen te hoog aansloeg, in sommige dingen fiasco leed.
En nu ontvouwde hij z’n grieven tegen ’t zaakonderwijs maar hij deed het toch
fijn en netjes en vol referentie voor vader. In tusschen ( het was over vijven )
verliep de vergadering geheel. De menschen liepen weg. Maar na afloop drukte ‘de
vijand’ vader hartelijk de hand. Hij was erg zenuwachtig, maar vader heelemaal
niet. Die had dit alles verwacht en was heel tevreden. Net als ik. V.d. Meulen
trok vader letterlijk de zaal uit omdat hij bang was dat we te laat voor den
trein kwamen, en Schreuder en nog een paar brachten ons weg. V.d Meulen en de
beide ‘Vrij’s ‘waren allerhartelijkst zoo ook Dikkie Daalder die stom van
verwondering was over de botheid van het schoolmeesterdom…”
Marie is Gunning de rest van
haar leven ‘de vijand’ blijven noemen.
De opmerking van Gunning, dat Ligthart z’n volgelingen te hoog aansloeg, is
overigens zo dom nog niet. Dit zou wel eens de reden kunnen zijn, waarom de
methode Het volle leven - zeker in zuivere vorm – slechts kort gebruikt
is, zelfs op de school in de Tullinghstraat.
Het zal je
schoonzoon maar wezen!
De oudste dochter van Jan
Ligthart en zijn vrouw Marie - Bep genaamd - is getrouwd geweest met Floris
Hers. In 1915 is hun zoontje Jan geboren. Jan Hers leeft nog en woont in
Zuid-Afrika. (Bep is min of meer met haar zoontje naar Zuid-Afrika gevlucht
omdat dit één van de weinige mogelijkheden was om haar man Floris te ontlopen.
Dat hier van een ongelukkig huwelijk sprake was zal duidelijk zijn.)
Hoewel de vader van Marie de calvinistische leer aanhing, was hij van joodse
afkomst. Marie heeft zich altijd sterk tot het Joodse volk aangetrokken gevoeld,
zoals ook uit haar boek: Door Erets Israël blijkt. Hierin schrijft ze
onder meer: “ M’n vader was een Jood, maar z’n ouders waren toen hij nog een
kind was tot het Christendom overgegaan. Hoewel de familie daardoor het contact
met het Joodsche volk verloren had, bleven eenige harer leden, waaronder ook m’n
vader, zich gedurende hun geheele leven Joden gevoelen. Toen ik later als jonge
onderwijzeres tot mijn groote vreugde geplaatst werd, aan een volksschool waar
bijna enkel Jodenkinderen school gingen, leerde ik ‘mijn’
volk ter dege kennen en ik voelde me in ’t diepst van mijn wezen aan mijn
scholieren verwant. Geen wonder dus dat de Zionistenbeweging onmiddellijk mijn
volle sympathie had.”
Marie is in 1946 overleden en heeft de Tweede Wereldoorlog dan ook in volle
omvang meegemaakt.
Onlangs kwam ik in het boek:
Wassenaar in de Tweede Wereldoorlog ( 1995 ) voornoemde Floris Hers
tegen en na lezing van onderstaande tekst zal het u duidelijk zijn waarom ik
voor de titel van dit stukje gekozen heb.
De groepsleider van de NSB in
Wassenaar was de arts: dr. Floris Hers. In 1933 werd hij als lid van de NSB
ingeschreven onder stamboeknummer 8381. Van oktober 1937 tot oktober 1940 was
Floris Hers groepsleider van de NSB. De massabijeenkomsten met kopstukken als
Mussert, Van Geelkerken en Rost van Tonningen werden altijd door hem ingeleid.
Zijn echtgenote was eveneens lid van de NSB. ( Hij was kennelijk voor de tweede
keer getrouwd. Misschien wel met het dienstmeisje, waar hij tijdens zijn eerste
huwelijk al een verhouding mee had. –cde- ) “Ik zag in Hitler den man, die voor
het menschdom betere levensvoorwaarden zou scheppen en Europa voor de
economische en moreele ondergang zou behoeden.” Zijn activiteiten tijdens de
bezetting zijn weinig verheffend geweest. Hers zou tegen een assistent hebben
gezegd: “De joden gaan weg en komen nooit meer terug; ze worden allen
afgemaakt. Joden is toch allemaal gespuis.” In juni 1944 is hij als arts in
actieve dienst getreden bij de Waffen SS. Op 6 februari 1948 hoorde Hers 20 jaar
gevangenisstraf tegen zich eisen. ( Deze straf is later tot 10 jaar verminderd.)
In mei 1957 is hij overleden.
In hoeverre Marie op de hoogte is geweest van het doen en laten van Floris Hers
tijdens de Tweede Wereldoorlog is mij niet bekend.
Carl Doeke Eisma
Wie
kan er nog iets nieuws verzinnen?
Het valt mij op, dat
wanneer er in een wetenschappelijk getint betoog iemand ter sprake komt, de
schrijver vrijwel altijd een poging onderneemt om vast te stellen, door wie
die iemand beïnvloed is. Nu weet ik wel, dat er weinig oorspronkelijks
bedacht wordt, maar aan de andere kant moet je wel heel zeker van je zaak
zijn, wil je die beïnvloeding hard kunnen maken. Jan
Ligthart ontkomt hier ook niet aan. Hier en daar wordt hij zelfs de
Nederlandse Pestalozzi genoemd. Of Pestalozzi of Ligthart hiermee tekort
gedaan wordt moet u zelf maar uitmaken. De volgende namen worden in dit
verband vaak genoemd: Johann Heinrich Pestalozzi ( 1746-1827 ), Georg
Michael Kerschensteiner ( 1854-1932 ), Johan Friedrich Herbart ( 1776-1841 )
en Friedrich Frobel ( 1782-1852 ).
Zo onderneemt – als voorbeeld – Barbara C. de Jong in haar boek: Jan
Ligthart ( 1859-1916 ) Een schoolmeester-pedagoog uit de Schilderswijk,
een poging om hem ergens tussen Pestalozzi en Kerschensteiner te plaatsen. (
blz. 7 ) Dat Ligthart kennis genomen heeft van het
werk van bovenstaande mannen, neem ik zonder meer aan. Een enkele keer
verwijst hij dan ook naar hun werk.
Ik zou me echter niet durven wagen aan een schatting, hoe groot de
verwantschap tussen (één van) hen en Ligthart is.
Nu ontbreekt er minstens
één naam in bovenstaand rijtje en naar mijn – niet eens zo bescheiden –
mening is de verwantschap tussen hem en Ligthart duidelijk aanwezig. Ik doel
op John Dewey ( 1859-1952 ) en dan niet alleen omdat ze beiden in hetzelfde
jaar geboren zijn.
Heeft Ligthart hem wel eens genoemd? Ja. In een aantal artikelen in
School en Leven - te beginnen op 28 mei 1908 – schrijft hij over
‘Een medestander in Amerika’. Toen enkele Russen uit Moskou een bezoek
brachten aan de school in de Tullinghstraat, ze waren op doorreis via
Amerika en Engeland, vroegen ze Ligthart of hij wist, dat er in Amerika
scholen waren, waar dezelfde beginselen gehuldigd werden als op zijn school.
‘Neen, daar wist ik niets van. Dan moest ik maar eens een prospectus
aanvragen bij Prof. Dewey te New-York van zijn scholen te Chicago en
New-York, dat zou me stellig interesseeren. Het verheugde me natuurlijk
hartelijk, dat aan de andere zijde van den Atlantischen Oceaan de
uitvoerbaarheid van onze eigen idealen bewezen was, doch door allerlei
omstandigheden kwam er van die prospectusaanvrage niets. Maar zie, daar
kreeg ik gisteren een boek in huis, Méthodes Américaines
d’éducation générale et Technique, par Omer Buyse, een lijvig doch zeer
prettig leesbaar boek, en daarin vond ik een paar hoofdstukjes over den
arbeid van Dewey. ( Het boek ligt hier voor me en hij heeft gelijk.) Reeds
de illustraties overtuigden me van een inderdaad bizondere gelijkheid van
streven met ons grijpen naar “het volle leven”. De ideeën waren in menig
opzicht dezelfde. En dan vooral ook dat hoofdidee: Leeren door doen.’
’De ontwikkeling van het kind doorloopt, onder invloed der opvoeding, de
ontwikkelingsphasen, die de evolutie der menschheid, in ’t bizonder die van
het Arische ras, in den loop der eeuwen hebben gekarakteriseerd. Het type
mensch, dat tot model dient, is de Ariër en niet de Roodhuid, die, door
totnogtoe onbekende oorzaken, in zijn ontwikkeling is blijven stilstaan’ (
sic.) , zo valt te lezen in het boek van Omer Buyse.
Wie meer wil weten over de ideeën van John Dewey die aansluiten bij de
methode Het volle leven raad ik aan de volgende nummers van School
en Leven te lezen: negende jaargang, nummers 39, 43, 44 en 45.
Jan Ligthart eindigt met de volgende zin: ‘En dan is ’t voorloopig weer uit
met deze kwestie, totdat er zich wellicht een medestander aanmeldt in –
Australië! Of aan den Zuidpool!
Carl Doeke Eisma
Het verbeterde
leesplankje van Hoogeveen
of
Ligt de waarheid nog steeds in het midden?
Inleiding
In de maand april van het jaar 1914 heeft
M.B.Hoogeveen een voorbericht geschreven in de vijfde druk van de Handleiding
voor het aanvankelijk leesonderwijs, dat er niet om liegt.
Via dit artikel wil ik een poging wagen om enige duidelijkheid te scheppen in de
gang van zaken rond het ontstaan van dit verbeterde leesplankje.
Alvorens mij tot dit plankje te
beperken lijkt het me verstandig enige uitleg te geven over het fenomeen leren
lezen door middel van een plankje voorzien van plaatjes en letters en enkele
losse lettertjes.
Hoewel Hoogeveen als eerste gebruik maakte van het leesplankje als leermiddel,
ga ik ervan uit, dat deze gedachte uit Duitsland afkomstig is. In een brief uit
1930, geschreven door de vrouw van Jan Ligthart, Marie, maakt ze duidelijk dat
dit idee niet van Hoogeveen was, “maar uit het duitsch”.
Nu is het niet zo dat men zich
beperkt heeft tot deze leesplankjes. Ook andere hulpmiddelen konden het leren
lezen ondersteunen. Ik noem er enkele.
De wandplaten.
Hierdoor werd het leesproces een stuk aangenamer en
bovendien werd zo het geheugen ondersteund.
Als voorbeeld: de vertelselplaat van Hoogeveen, de leesplaat van Colenbrander en
het klassikale leesbord van Bekker.
Het schoolbord.
Zo kan de leerkracht het ontstaan van de letters duidelijk maken en bovendien
kunnen woordjes die op dat moment van belang zijn opgeschreven worden.
De leesboekjes.
Hier gaat het vooral om begrippen als afwisseling en herhaling.
De illustraties.
Juist de plaatjes maken de boekjes voor de leerlingen aantrekkelijk en zo wordt
de belangstelling voor de leerstof verhoogd.
Voorwerpen
Hoogeveen stelde voor om een verzameling van voorwerpen aan te leggen, om de
leerlingen tot het inzicht te brengen, dat dezelfde lettergeluiden in vele
woorden terugkeren. ( bal - bel, boon - boor.)
In de titel is sprake van een verbeterd leesplankje. We mogen dan ook aannemen
dat het hier niet om een eerste exemplaar gaat. Over de vraag wie het
allereerste leesplankje in ons land bedacht heeft, lopen de meningen uiteen. Na
het lezen van een zestal publicaties die hier een antwoord op proberen te geven
hou ik het toch op M.B. Hoogeveen. ( 1863 – 1941 )
Van 1888 tot 1894 was hij hoofd van een school in Stiens. In Het Schoolblad van
12 april 1892 schrijft hij een artikel waarin hij uitlegt hoe er met een
klassikale leesplank gewerkt kan worden. “ Voor de klasse, tegen den werkmuur,
een ezelbord of anderszins brengen we een paar horizontale plankjes aan. In den
voorkant hiervan slaan we spijkertjes. Aan ieder spijkertje hangen we een
rechthoekig stukje lei, waarin we een gaatje geboord hebben…”
Toegegeven het gaat hier om een klassikale leesplank, maar volgens de
overlevering heeft hij in diezelfde periode een kleiner plankje voor zijn
zoontje gemaakt.
In 1894 komen we Hoogeveen tegen als hoofd van een school in Deventer.
Drie jaar later geeft de uitgeverij M.D. Brinkgreve te Deventer een leesplankje
uit, evenals een klassikale leesplank, een handleiding, een toelichting en zes
leesboekjes. ( Het zou me niet verbazen als dat plankje voor zijn zoontje hier
model voor heeft gestaan.) Het gaat dan om een plankje met 2 rijen woordjes. Erg
gunstig werd dit leermiddel niet ontvangen. “Een allerslordigst afgewerkt ding…”
Een jaar later, in 1898, volgde dan ook al een tweede versie. Nu staan er 3
rijen woordjes op en de oplage was niet gering, 3000 exemplaren!
Eén van de voornaamste redenen waarom Hoogeveen van dit leermiddel gebruik
maakte – een plankje met losse lettertjes – was wel, dat de leerlingen tot een
zekere zelfstandigheid gedwongen werden. Zeer modern voor die tijd.
De hiervoor genoemde toelichting bevat enkele opmerkelijke wenken die ik u niet
wil onthouden. “Wie vuile handen heeft, mag niet meedoen; hiervoor waarschuwe
men de vorige dag reeds.” Ik moet er niet aan denken, dat zo’n letterkaartje
zoek zou raken, want: “Zoo mogelijk stelle men als regel, dat zoo’n kaartje
teruggekocht moet worden.”
Waarschijnlijk in 1900, maar in ieder geval voor eind 1901 kocht de uitgeverij
Wolters te Groningen op een veiling de hele oplage van dit plankje met
toebehoren op. Na enkele wijzigingen te hebben aangebracht – de plankjes werden
iets groter en de plaatjes duidelijker – kwam de eerste versie van Wolters in
1901 op de markt. Ondanks de lovende woorden die een groot deel van de
toelichting in beslag namen werden er niet zoveel plankjes verkocht. Overigens
veranderde Wolters niets aan de toelichting zelf. In het exemplaar dat ik in
mijn bezit heb plakte de uitgever over de tekst: FIRMA BRINKGREVE,
DEVENTER 1905 eenvoudig een strookje met de tekst:
TE GRONINGEN BIJ J.B. WOLTERS.
In 1908 volgde een soortgelijke uitgave, maar de verkoopcijfers waren nog steeds
niet indrukwekkend. ( De man die bij de uitgeverij Wolters het belang van
onderwijsuitgaven op niveau inzag, E.B. ter Horst Jr. was in 1905 overleden,
maar zulks terzijde.)
Dat er iets ingrijpends zou moeten gaan gebeuren, wilde men zo’n leesplankje tot
een succes maken werd langzamerhand duidelijk. Er moest op z’n minst van een
verbetering sprake zijn.
Het is niet bij dit plankje van
Hoogeveen gebleven.
Een tweetal plankjes wil ik u dan ook niet onthouden.
Op dezelfde school in Deventer, waarvan Hoogeveen hoofd was, werkte de
onderwijzer J.H. Colenbrander ( 1865 – 1947 ) Het ligt voor de hand, dat hij
bekend was met het plankje dat Hoogeveen bedacht had.
In 1903 verscheen bij de uitgeverij AE. E. Kluwer te Deventer de methode van
J.H. Colenbrander en D. van der Meulen. Een onderdeel van deze methode vormde
een “ Hoofdelijke leesplaat met letterdoosje. Het onderste deel op hout als
leesplankje.”
Jaren later, in 1913, heeft de Rotterdamse onderwijzer J.S. Verburg zich
afgevraagd of hier van plagiaat sprake zou kunnen zijn. Hij heeft hier
uitgebreid onderzoek naar gedaan, o.a. door middel van een briefwisseling met
Hoogeveen en Colenbrander. De beschuldigingen vlogen over en weer. Uiteindelijk
kwam Verburg tot de conclusie dat Hoogeveen dit leermiddel als eerste gebruikt
heeft. [ volgens mij terecht –cde- ]
En om de zaak nog ingewikkelder te maken: Jaap ter Linden, de vorige directeur
van het Onderwijsmuseum heeft mij verteld, dat hij het vermoeden heeft, dat er
een oerplankje zou bestaan of bestaan zou hebben. Hoogeveen en Colenbrander
hebben hun vak geleerd op de Kweekschool te Deventer en daar zou deze oerversie
dan ontwikkeld zijn. Tot nu toe heb ik hier echter geen enkel bewijs van
gevonden.
Frater Euthymius Becker heeft in 1905 ook een plankje ontwikkeld. Gezien de naam
van de ontwerper zal het u niet verbazen dat het hier om een plankje voor de
katholieke scholen gaat. Er wordt gesproken van een “Hoofdelijk leesbordje met
letterdoosje.” Dit plankje werd – evenals de andere leermiddelen die bij de
methode Bekker horen – uitgegeven door het R.K. Jongensweeshuis te Tilburg.
Het verbeterde leesplankje van
Hoogeveen
In 1914 verscheen een voorbericht in de handleiding van Hoogeveen waarin hij
uitlegt hoe het verbeterde leesplankje vorm gekregen heeft. Even voor de
duidelijkheid; Ligthart en Jetses moeten hier kennis van genomen hebben,
Scheepstra was overleden. Helaas heb ik geen reactie van beiden op deze
wonderlijke voorstelling van zaken kunnen vinden.
Wat schrijft hij?
“Mede naar aanleiding der uitgave van een geschriftje, geheel buiten mijn
voorkennis verschenen … waarin mijn methode wordt ‘geschetst’, meen ik te mogen
opmerken … dat ook het leesplankje in zijn tegenwoordigen vorm ( door de firma
J.B. Wolters geannonceerd als “Verbeterd Leesplankje” ) nog mijn zuiver en
ongedeeld geestelijk eigendom is. Zooals men zich zal herinneren, was het
stel normaalwoorden bij de vorige uitgave: raam, roos, neef, fik, gat, wiel enz.
In § 23 dezer Handleiding geef ik aan, waarom ik dat door het tegenwoordig stel
heb vervangen. Mijn medewerkers voor de leesboekjes hebben daarbij in geen enkel
opzicht eenigen invloed uitgeoefend, noch op de in § 23 vermelde “eischen”, noch
op de keuze der personen, dieren en zaken, welker afbeeldingen op het
leesplankje voorkomen en die als gevolg daarvan in de leesboekjes optreden, noch
op de vertelling …”
Leiden, April 1914.
Laten we eens kijken of § 23 ons iets verder brengt.
“ Toen dus de firma Wolters haar voornemen te kennen gaf, de plaatjes opnieuw te
laten teekenen, heb ik van de gelegenheid gebruik gemaakt en een nieuw stel
normaalwoorden gegeven…”
In § 24 schrijft hij: “En bij ’t neerschrijven dier vertelling [ Hoogeveen doelt
hier op de leesboekjes die bij de methode horen –cde- ] werd door mij de
wenschelijkheid gevoeld eener plaat ter illustratie , tot welker uitgave de
firma zich onmiddellijk bereid verklaarde.”
Tot zover de versie van
Hoogeveen.
Je vraagt je af, waarom hij deze voorstelling van zaken geeft. In het vervolg
van dit artikel hoop ik duidelijk te maken dat dit wel erg bezijden de waarheid
is. Het idee van dit leermiddel kunnen we aan hem toeschrijven evenals het
schrijven van de Handleiding, en daarmee alleen al heeft hij zich meer dan
voldoende bewezen. Bovendien heeft hij het tot directeur van de Kweekschool te
Leiden gebracht en dat zegt toch ook wel iets.
Nu ik dit zo opschrijf schiet me een tweede voorval te binnen dat iets zegt over
de werkwijze van Hoogeveen.
Cornelis Jetses ( 1873 – 1955 ) heeft een prachtige uitvoering van het
verbeterde plankje geschilderd, speciaal voor prinses Juliana. Op verzoek van
haar moeder kreeg zij les volgens de ideeën van Jan Ligthart en ook zij heeft
leren lezen met behulp van dit plankje. Hoogeveen en Jetses hadden afgesproken
om dit plankje samen aan te bieden. Toen puntje bij paaltje kwam heeft Hoogeveen
dit alleen gedaan! Dat Jetses dit niet erg gewaardeerd heeft zal u niet
verbazen. Hij was er echter de man niet naar om hier veel ophef over te maken.
Hoogeveen wilde kennelijk alleen met de eer gaan strijken.
Gilles van Hees, hoofd ener
school te Amsterdam, schrijft in 1951 in de Handleiding: “Dan volgen we wel de
handleiding van Hoogeveen en het prachtige werk dat Ligthart en Scheepstra – en
Jetses – daar met hem omheen geschapen hebben…”
Jan A. Niemeijer, de auteur van enkele boeken over Jetses, schrijft in 1999:
“Het Hoogeveen-materiaal werd nog wel een tijdlang verkocht, zelfs met nieuwe
getekende voorstellingen, maar toen werd besloten om alles grondig te
vernieuwen, omdat men een speelsere opzet wilde… en een betere kwaliteit. Het
lag natuurlijk voor de hand het succesvolle trio Ligthart-Scheepstra-Jetses met
die taak te belasten. Uitgaande van het door Hoogeveen ontwikkelde
basisprincipe, stelden Ligthart en Scheepstra toen een praktisch nieuwe
leesmethode samen, waarvoor Jetses de illustraties maakte.”
Die betere kwaliteit is zeker gelukt al was het alleen al door de prachtige
illustraties van Jetses. In Schoonheid en Opvoeding, vierde jaargang 1910 staat
hierover: “Welk een feest, die leeslessen aan de hand van Hoogeveens
klankmethode! Maar o wee! Leesplank en leesplankjes hebben nauwelijks den toets
van den schoonheidszin kunnen doorstaan, de boekjes kunnen dit nog minder. Hoe
dus voortgaan? De moeilijkheid is opgelost. Onlangs verscheen: De zes
leesboekjes van M.B. Hoogeveen, Jan Ligthart en H. Scheepstra keurig
uitgevoerd.”
De verhaaltjes in deze zes boekjes sluiten wonderwel aan bij de boekjes van
Ligthart en Scheepstra die daarvóór verschenen zijn. Logisch, de teksten zijn
ook van Scheepstra en Ligthart – de volgorde is niet toevallig – en zeker niet
van Hoogeveen.
Op 21 april 1930 schrijft de
vrouw van Jan Ligthart vanuit Zuid-Afrika een uitgebreide brief aan een vriendin
van haar, waarin ze onder andere de gang van zaken rond het ontstaan van dit
verbeterde plankje uitlegt. ( Er wordt wel eens beweerd, dat ze de rol van haar
man wat al te mooi voorstelt, maar u mag van mij aannemen dat dit onzin is. Zo
was Marie niet, zoals ook uit de tientallen brieven die ik van haar gelezen heb,
blijkt. )
“Wat de Hoogeveentjes betreft nog dit. Wolters had de bestaande serie op een
veiling gekocht van Kluitman [ Ze bedoelt Brinkgreve –cde- ] die er mee in z’n
maag zat, daar ze heelemaal niet gingen. De firma vroeg de vrienden [ Ligthart
en Scheepstra –cde- ] ze wat op te lappen, maar dat ging boven hun macht. Toen
wierpen ze de heele serie in een hoek en schreven een geheel nieuwe. Dat wil
zeggen, Ligthart bedacht de geschiedenis, Scheepstra schreef de boekjes.
Ligthart zette een plaat in elkaar, Scheepstra teekende die. Jetses teekende die
later over. Samen zochten ze de woordjes voor het leesplankje. Toen alles klaar
was moest Hoogeveen 1/3 van de opbrengst hebben omdat de idee van het
letterplankje van hem ( niet van hem maar uit het duitsch ) was en de
oorspronkelijke serie ook.”
Uit diverse brieven blijkt dat in de gezinnen van Ligthart en Scheepstra vol
enthousiasme aan deze opdracht is gewerkt. Zeker ook door de vrouwen, beiden
immers onderwijzeres, en zelfs door de kinderen. Scheepstra, die leraar op de
Kweekschool te Groningen was, heeft er zelfs zijn leerlingen mee lastiggevallen.
Meesterlijk gekozen al die woordjes! Al die dieren, kinderen en volwassenen
lenen zich bij uitstek voor verhaaltjes en voor de samenhang in de
vertelselplaat. Die plaat alleen al geeft aanleiding tot het vertellen van
prachtige verhalen. De aap in de dakgoot waar alle ogen op gericht zijn…
Dat dit verbeterde leesplankje
tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw dienst gedaan heeft - Jetses heeft
rond 1930 vrijwel alle illustraties aan de moderne tijd aangepast - verbaast mij
niets. Ik vraag me wel eens af of de methoden die daarna bedacht zijn
verbeteringen zijn. Hoewel, dat vraag ik me niet af, ze zijn het niet.
Carl
Doeke Eisma
Literatuur en bronnen
Coster, W (1991).
Leesonderwijs, leren lezen met plaatjes en plankjes. Lelystad: Actuele
onderwerpen no. 2379.
Eisma, Carl Doeke (2002). Meester Ligthart ‘Wim, Zus, Jet’ en al die
andere kinderen. Voorburg: “De Nieuwe Haagsche”.
Heynen, P.H. (1915). Leidraad bij de bespreking met kweekelingen van de
methodiek van het lezen. Zutphen: W.J. Thieme en Cie.
Niemeyer, Jan A. (1999). De geschiedenis van het Leesplankje. Elst (Gld):
Sertons International B.V.
Schoot, Wiep van der (1995). Lezen van een plankje. Twee eeuwen
aanvankelijk lezen. Rotterdam: Nationaal Schoolmuseum.
Archief Groningen. Enkele brieven, waaronder: Brief van Marie Ligthart
aan Betsy van Zutphen.
|