Mevrouw Juliana

Nu Juliana overleden is – 20 maart 2004 - staat ze weer in het middelpunt van de belangstelling. Eén van de vragen die men in vrijwel alle artikelen probeert te beantwoorden is de vraag, door wie ze tijdens haar leven beïnvloed is. Het spreekt vanzelf, dat haar moeder Wilhelmina, en haar man Bernhard, genoemd worden. Ook de namen van Greet Hofmans en de vrouw van president Roosevelt, worden bij herhaling genoemd.
Hoewel ze zich terdege bewust was van haar positie als staatshoofd, was ze zeker geen voorstandster van ‘het protocol’ en de manier waarop mensen met haar meenden te moeten omgaan. Doe maar gewoon en noem me maar mevrouw in plaats van majesteit of koninklijke hoogheid.  Mijn vader heeft haar enkele malen ontmoet en de volgende zin, die hij tijdens de maaltijd uitsprak heeft diepe indruk op me gemaakt: “ Ze zat vandaag tijdens een concert naast me en ze vroeg of ik een sigaret voor haar had. We bleken hetzelfde merk te roken.”  

Dat een mens vooral gedurende zijn jeugd sterk te beïnvloeden is, moge duidelijk zijn. Daarom ben ik van mening, dat Jan Ligthart hier een belangrijke rol in heeft gespeeld. Niet zozeer persoonlijk, hoewel Juliana hem wel gekend heeft. Zo lees ik in het boek: Jan Ligthart, sa vie et son oeuvre, geschreven door J.W.L. Gunning en zijn vrouw : ‘…en vlak daarna zat Jan Ligthart op de grond met het prinsesje te spelen’.
Juliana heeft  vele jaren in een klasje gezeten, waar les gegeven werd in de stijl van Ligthart. Aanvankelijk had Bertha Cohen Stuart hier de leiding en later Anna van der Reijden. Beide onderwijzeressen waren bekend met de ideeën van Jan Ligthart, beide onderwijzeressen hebben op zijn school in de Tullingstraat gewerkt. Wilhelmina heeft persoonlijk in een courant uit die tijd laten zetten: “Het onderwijs zal plaatshebben volgens de methode van de heer Ligthart”.
In een artikel in de Haagsche Post van 27 oktober 1930 vertelt Anna over Juliana als schoolmeisje. “ Van het eerste oogenblik af had ik begrepen, wat ik dit jonge leven moest brengen. De Prinses moest eens kunnen ravotten en stoeien.” Uit dit artikel blijkt verder, dat ze Juliana als een gewone leerling behandelde. Zo af en toe verlieten ze het paleis, zodat Juliana het ‘gewone‘ leven ook eens van dichtbij kon zien. In de geest van Ligthart kwam ze zo in aanraking met het volle leven. Juliana had vooral belangstelling voor vakken als letterkunde en biologie. Vele jaren later heeft ze haar onderwijzeres thuis nog wel eens bezocht.
Kort nadat Jan Ligthart overleden was, is zijn vrouw bij koningin Wilhelmina op bezoek geweest. In een brief schrijft ze hierover onder meer: “De Koningin gaf zich onbevangen, als een belangstellende moeder, bovendien als iemand die vader had liefgehad. Wij vorsten zei ze hebben zoo’n behoefte aan menschen. Uw man was een mensch, die zich gaf zooals hij was, goed, oprecht, geheel voor anderen levend. Ze had zooveel gehoopt voor haar kind van vaders invloed, en zich zooveel voorgesteld van gesprekken met vader. Ze liet het prinsesje binnenkomen, een aardig verstandig kindje dat gewoonweg met me praatte als elk ander lief kind. “
En al was het dan niet rechtstreeks, ik denk dat die invloed van Jan Ligthart groter is geweest dan Wilhelmina en vele anderen met haar hebben kunnen vermoeden.

Carl Doeke Eisma

Jan Ligthart  1859-1916

Aan het begin van dit artikel blijkt maar weer eens, dat het onmogelijk is om Jan Ligthart een plaats in de lange rij van – al of niet wetenschappelijk geschoolde - opvoeders te geven. Noordam komt dan ook niet verder dan: ‘ Ligthart was een man, die hartstochtelijk modern mens wilde zijn.’ Kennelijk heeft hij dit tijdens zijn leven al aangevoeld, zoals blijkt uit de opmerking: ‘ Wanneer jullie mij in een laatje willen stoppen, springt Jantje er net weer uit, wanneer het laatje dichtgaat’, of woorden van gelijke strekking. Zo te zien heeft Noordam het hier moeilijk mee. Want ook al was Ligthart volgens hem geen systematicus of wijsgerig geschoold denker, hij hoort zijn plaats te weten, of liever; wij horen die te weten. Overigens staat hij hier niet alleen in. In vrijwel alle boeken en artikelen, die over Jan Ligthart geschreven zijn, kom ik deze vraagstelling tegen. Wie heeft –of hebben- hem beïnvloed ? Mogen we hem de Nederlandse Pestalozzi noemen? Wat was zijn betekenis voor het nageslacht? Laten we het er maar op houden, dat hij iets unieker was dan de meesten van ons.
In algemene zin maakt Noordam in dit artikel gebruik van het principe van de inlegkunde. Zo kan een citaat uit z’n verband gerukt worden en tot levensmotto verheven worden. Enkele voorbeelden. Nadat Ligthart eens tegen een van zijn leerlingen gezegd had dat alles ontgoocheling is, gaat Noordam er vanuit, dat dit centraal staat in zijn [ Ligtharts] levensboek. De opmerking ‘ ik schrijf gemakkelijk met moeite’ geeft Noordam aanleiding om te veronderstellen, dat hij met een stroeve pen schreef.
Deze inlegkunde kan ook tot gevolg hebben, dat er conclusies getrokken worden, zonder dat deze onderbouwd worden. Zo zou het joodse element in zijn familie en zijn leven [ zijn vrouw was van joodse afkomst ] het verlangen naar het echte zuivere in de hand gewerkt hebben en bovendien de afkeer van schijnwaarden tot gevolg gehad hebben. Ook zou hij zich hierdoor nergens thuis hebben gevoeld. De zin: ‘…want alleen vanuit het geloof kon hij leven en alleen vanuit het geloof is hij dan ook te begrijpen’, roept op z’n minst enkele vraagtekens op!
De zin: ‘Daarom kon Ligtharts zaakonderwijs zo inslaan’ berust helaas op een misverstand. De methode Het volle leven is nauwelijks – en dan zeker op de manier die Ligthart, Scheepstra en Walstra voorstonden – gebruikt.
Aan het slot noemt hij Ligthart maar een gewone schoolmeester en zijn stijl van schrijven noemt hij wat traag soms, hij spint te veel uit.
Ik heb sterk de indruk, dat de schrijver van dit artikel weinig van Jan Ligthart begrepen heeft.

Carl Doeke Eisma


De religieuze problematiek van Jan Ligthart in verband met zijn opvoedingsdenkbeelden

In grote trekken kunnen we hier van een herhaling van het voorgaande artikel spreken. Het feit echter dat het een plaatsje kreeg in het herdenkingsnummer, honderd jaar na zijn geboorte uitgegeven en opgedragen aan de beide dochters van Jan Ligthart, geeft er toch meer diepte aan. (‘ Uit dankbaarheid aan Jan Ligthart, vernieuwer van opvoeding en onderwijs’, zo lees ik op een van de eerste bladzijden.) Ook hier worden de joodse elementen weer met nadruk vermeld. Eén van zijn overgrootvaders was jood en de joodse afkomst van Marie, zijn vrouw, worden met nadruk genoemd. Jan en Marie hebben elkaar leren kennen op een school in een Amsterdamse volksbuurt, waar veel joodse kinderen les kregen. De schrijver spreekt van verwaarloosde en verziekte joodse kinderen. ( Zou hij zieke kinderen bedoelen?) Hij citeert Marie, die gezegd zou hebben: ‘ hier zag ik hem eens met zo’n vuil klein jodenkind,…’ . De originele tekst spreekt van een kind dat er smerig uitzag. Zuiver citeren lijkt me een eerste vereiste in een artikel van dit niveau. ‘Zo begon voor hem een weg van lijden en ellende, want bij alle problemen die Ligthart kende, hield dit [ het geloof ] hem het meest bezig en hij is er eigenlijk nooit uitgekomen.’ Dat hij hier zijn hele leven mee geworsteld heeft – wie niet – mag duidelijk zijn, maar die weg van lijden en ellende herken ik zeker niet. Vrijwel aan het einde van dit artikel trekt Noordam de conclusie: ‘ Zo was hij bestemd om te worden een eenzaam mens, niet of slecht begrepen en dikwijls beklad.’ Ook uit deze zin blijkt dat de schrijver weinig van Ligthart begrepen heeft. Eenzaam was hij zeker niet, omgeven door de liefde en het respect van vrouw, kinderen en vrienden, wel degelijk begrepen en slechts een enkele maal beklad, al zou ik dit woord hier niet gebruikt hebben.

Carl Doeke Eisma


De plaats van Scheepstra in het auteursdriemanschap Hoogeveen, Ligthart en Scheepstra

‘ Wel liepen er geruchten die stelden: Ligthart maakte alleen de versjes en Scheepstra schreef de boekjes. Zoals zo dikwijls bevatten deze geruchten een kern van waarheid ‘, zo schrijft Noordam naar aanleiding van de vraag hoe al die prachtige schoolboekjes zijn ontstaan. Ik kan hier kort zijn: onzin!
Na het lezen van een groot aantal brieven, zowel die van Scheepstra, als die van Ligthart is duidelijk geworden, dat Jan Ligthart hier een veel groter aandeel in heeft gehad. ( Zie: ‘Meester Ligthart, Wim, Zus, Jet en al die andere kinderen.)
Als voorbeeld: van de 12 deeltjes die onder de titel: De wereld in verschenen zijn, zijn er 8 door Ligthart geschreven.
De bewering dat Scheepstra meer wetenschappelijk werkte dan Ligthart –nog los van de vraag wat we hier onder het woord wetenschappelijk moeten verstaan- waag ik te betwijfelen en de toevoeging, dat Ligthart artistieker was –gevolgd door de opmerking ‘of zich althans zo voelde’ [ ! ], ligt voor mij op hetzelfde vlak.
‘Mogelijk is ook dat Ligthart, [ in dit artikel schrijft Noordam eenmaal: Lighthart, maar die fout wordt wel meer gemaakt…] die voordat ‘Ot en Sien’ verscheen al een gevierd man was die veel buitenlands bezoek kreeg en wie een zekere ijdelheid niet vreemd was, zich te gemakkelijk de verdienste van anderen aan zich liet toeschrijven, althans geen tegenwerpingen maakte indien dit geschiedde.’ Dit gaat mij te ver! Wie zich echt verdiept in het werk van Jan Ligthart komt een andere man tegen. Uiteraard zeker geen heilige, maar hij zou zelf de eerste zijn om dit – waarschijnlijk op ironische wijze – toe te geven en een zekere ijdelheid kennen we allemaal, maar de conclusie dat hij hier te gemakkelijk mee om zou gaan raakt kant noch wal. Kortom, ook hier blijkt weer, dat Noordam niets van deze schoolmeester uit de Schilderswijk begrepen heeft!

Carl Doeke Eisma


Jan Ligthart, een uitzonderlijk pedagoog

Onder deze titel heeft Laura Reedijk- Boersma enige tijd geleden in het blad ‘Boekenpost’ een bijdrage over Jan Ligthart geschreven. Een prima verhaal, ook al staan er enkele onjuistheden in.  
Zo schrijft ze, dat hij in het jaar 1885 inmiddels allerlei akten behaald zou hebben. Behalve de ‘acte van bekwaamheid als hulponderwijzer’ en de ‘akte van bekwaamheid als hoofdonderwijzer’ [ zoals u ziet is de spelling in de tijd tussen die twee veranderd ] heeft hij nooit meer een akte behaald. Dit wil overigens niet zeggen, dat hij zijn kennis niet vergroot zou hebben. Het tegendeel is eerder waar, maar hij geloofde niet erg in dit soort studies en zeker niet in de manier van examineren, zoals in die tijd gebruikelijk was.
Min of meer aan het eind van haar artikel schrijft ze dat hij aan het eind van zijn leven in Laag-Soeren, in het sanatorium, behandeld werd voor zijn depressies. En hoewel hij enkele malen door depressies gekweld werd, bevond hij zich op dat moment samen met zijn vrouw Marie om andere redenen  in een badhuis in Laag-Soeren. Hij had vooral last van oorsuizingen en slapeloosheid. In die tijd was men van mening, dat rust en het gebruikmaken van koude en warme baden een oplossing konden bieden.
Van een totaal andere orde is echter het navolgende. ‘Onlangs is echter door Jan Niemeijer onthuld dat niet Ligthart maar zijn vriend Scheepstra de meeste boekjes heeft geschreven en dat Ligthart daar dan meestal alleen commentaar op gaf en door hem geschreven gedichtjes aan toevoegde’, zo lees ik.
Deze volkomen verkeerde voorstelling van zaken lees ik niet voor het eerst en daarom wil ik hier een poging ondernemen om de juiste gang van zaken weer te geven. Laat het echter duidelijk zijn, dat niet de schrijfster van dit artikel, maar de door haar geciteerde Jan Niemeijer schuldig is aan deze verkeerde voorstelling van zaken. Jan A. Niemeijer – een journalist uit Groningen – heeft enkele prachtige boeken over de tekenaar Cornelis Jetses samengesteld. Dit prachtige slaat overigens voor het grootste gedeelte op de illustraties van Jetses. In het boek ‘Kijk, Ot en Sien’, komt de samenwerking tussen Ligthart en Scheepstra uitgebreid aan de orde. ‘De pedagoog Ligthart liep hier de schrijver Scheepstra aardig voor de voeten’, zo schrijft hij op bladzijde 43. ( Voor de duidelijkheid: het betreft hier de vier deeltjes ‘Nog bij Moeder’. ) In het boek: ‘Meester Ligthart, Wim, Zus, Jet en al die andere kinderen’, staat de zin: ‘De volkomen samenwerking van twee mannen die met hart en ziel aan het onderwijs, aan het kind verbonden waren’. Ik hou het maar op deze laatste zin, al is het wel zo, dat de versie van Jan A. Niemeijer hiermee naar het rijk der fabelen wordt verwezen! Al lezende in de brieven van Jan Ligthart aan Hindericus Scheepstra en de brieven van Hindericus aan Jan – en niet te vergeten een brief die de vrouw van Jan vele jaren na zijn dood over dit onderwerp geschreven heeft – wordt duidelijk hoe die hele serie boekjes is ontstaan. Beide schrijvers waren aan elkaar gewaagd en dat gold ook voor Cornelis Jetses. Wanneer één van hen kritiek leverde op het werk van de ander, dan werd hier naar geluisterd en vervolgens werd er rekening mee gehouden. Jetses was zelfs bereid details in zijn tekeningen te veranderen en toen Scheepstra eens te kennen gaf, dat hij bepaalde teksten van Jan Ligthart onder de maat vond, verscheurde Jan die teksten. Wél is het zo, dat Scheepstra vooral de gave had, om boekjes voor jonge kinderen te schrijven. Zeker na enkele aanwijzingen van Ligthart. ‘Ligthart heeft me losgewrikt’, heeft Scheepstra volgens de vrouw van Jan gezegd en in een van de vele brieven schreef Jan: ‘Je hebt ’t genie voor ’t kleine grut, En bent nog lang niet uitgeput.’ Er was zeker geen sprake van een ‘voor de voeten lopen’. De volkomen samenwerking van deze drie mannen heeft al die prachtige boekjes – en laten we de schoolplaten en de leesmethode niet vergeten – doen ontstaan.

Carl Doeke Eisma


Over het kunstwerk van Ot en Sien
 

In Tirade 200 ( 1974 ) gaf Geert van Oorschot aan, dat ‘Ot en Sien’ een kunstwerk zou zijn, zo valt in dit artikel te lezen. Mirjam vraagt zich af hoe je over het kunstwerk van Ot en Sien moet schrijven, als je niet vindt, dat Ot en Sien een kunstwerk is. Ze heeft haar best gedaan, dat valt niet te ontkennen.
Hierbij heeft ze gebruik gemaakt van een uitgave uit 1974, die naar de oorspronkelijke editie van 1911 is uitgegeven. ( Even voor de duidelijkheid, de allereerste versie van dit verhaal is in 1904 en 1905 in vier stukjes verschenen onder de naam: ‘Nog bij moeder’, in 1906 gevolgd door een huiskameruitgave onder de titel ‘Het boek van Ot en Sien’. ) 

Laat ik vooropstellen, dat de gedachte, dat we hier met een kunstwerk te maken hebben nooit bij mij opgekomen zou zijn. Ik durf te stellen, dat dit ook het geval was bij de auteurs, Hindericus Scheepstra en Jan Ligthart. In het voorbericht van de eerste druk spreken ze van ‘Door-ren-boekjes’. De kinderen moeten na het aanvankelijk lezen vaardigheid opdoen, ‘En die krijgen ze het best, door eenige en liefst vele boekjes te lezen, die noch door inhoud noch door taal telken keer tot oponthoud verplichten. Boekjes dus, die ze zoo maar achter elkaar door kunnen rennen’. 
Wat moeten we eigenlijk onder een kunstwerk verstaan? Moeilijk onder woorden te vangen lijkt me, hoewel, voor Mirjam is dit geen probleem. ‘… eigen invallen, waardoor je steeds voor verrassingen komt te staan. In de war raakt. Nadenkt over dingen waar je eerder nooit over nadacht. Dingen anders ziet. Nieuwe dingen ziet. En dát maakt iets nu juist wel tot een kunstwerk.’ U begrijpt het al, hier kunnen Ot en Sien niet aan voldoen. ‘Wat een trutten!’, om met de woorden van Mirjam te spreken. Het is waarschijnlijk niet tot haar doorgedrongen, dat deze boekjes zo’n honderd (!) jaar geleden geschreven zijn en voor die tijd zeer modern waren. De vergelijking met het gedrag van de Otten en Sienen van deze tijd gaat uiteraard volledig mank.

 Halverwege haar betoog heeft ze gemeend zelf een verhaaltje in de stijl van Ot en Sien te moeten schrijven. En alsof dat niet meteen duidelijk was, vervolgt ze: ‘Het verhaal komt in het boek niet voor; het is door mij in een kwartiertje in elkaar geknutseld. Met andere woorden; je draait er je hand niet voor om. Het procédé is simpel,…’ Is hier sprake van enige zelfoverschatting?
Maar wat voor mij de deur dicht deed, is het feit, dat ze meent haar vader publiekelijk voor schut te moeten zetten. Ze deelt de lezer mede, dat hij een parodie op de tuttigheid van Ot en Sien op een prikbord in haar ouderlijk huis had opgehangen. Sterker nog, ze kent het nog steeds uit haar hoofd. Ik wil u de eerste vijf regels niet onthouden:

Bloed op de stoep
Daar is pa.
Weg lul, zegt moe, ik moet jou niet.
Moe pakt een mes, zij steekt pa neer.
O, o, wat een bloed.

Ter verduidelijking voegt ze hieraan toe, dat ze een kind uit de jaren zeventig is en dat verklaart veel. Dit soort teksten trof men toen in vrijwel alle huishoudens aan, zoals ik mij als oud-provo en kabouter herinner. ( Grapje ) Overigens heeft de auteur van deze opwekkende tekst de manier van schrijven van Scheepstra meesterlijk nagebootst, in tegenstelling tot Mirjam zelf.
Wat een flut verhaal.

Carl Doeke Eisma


Het geheim van aap-noot-mies
  

Dit artikel begint met een ontboezeming van Annie M. G. Schmidt:

Ik weet nog hoe ze kwamen toen ik klein was. De letters …
Eerst apart, toen in juichende rijen, de hele aap, de hele noot en een complete mies. Een optocht was het, met fanfares met veren en met wapperende jassen en allemaal met kroontjes op, herauten die plechtig spraken:
Ziehier de sleutel.
Tot wat?
Tot alles.
En zo was het.
Van Ot en Sien naar Jonathan Swift en meer en meer, de hele Bibelebontse berg, een boekenleven lang. …

Aap-noot-mies. Ot en Sien. Vertrouwde figuren uit de leesmethode van Hoogeveen, Ligthart en Scheepstra, met illustraties van Jetses. Op Annie M. G. Schmidt hebben ze een onuitwisbare indruk gemaakt. En niet alleen op haar, generaties kinderen hebben ermee leren lezen en vrijwel iedereen kent de figuren van de leesplank. Aap-noot-mies is een begrip, dat is duidelijk. Maar waarom? Wat is er zo bijzonder aan, zo vraagt de schrijver zich af.

In De allermooiste boeken voor kinderen  ( De Bijenkorf 1990 ) staat onder meer: ‘Men schaft het ( Het boek van Ot en Sien ) aan om de onovertroffen plaatjes van Jetses, en heeft dan al voorlezend onverwacht literatuur op schoot. De talloze simpele, uit het kleuterleven gegrepen verhaaltjes uit onze eigen tijd verbleken naast het meesterwerk van Ligthart en Scheepstra. Zo weinig lettergrepen per woord, zulke geringe wederwaardigheden en toch ontstaat uit bijna niets authentieke spanning en ontroering. Het is alles tijdloos en van hetzelfde levensbelang als wanneer het je eigen kind overkomt.’

Literatuur? Is dat het geheim van Ot en Sien? En hoe zit dat dan met aap-noot-mies? Zeker, de woorden van de leesplank zijn zorgvuldig gekozen en gerangschikt, maar om dat nu literatuur te noemen? De dichter Cees Buddingh vindt van wel, zonder blikken of blozen schrijft hij het gedicht:

aap
noot
mies

wim
zus
jet
teun
vuur gijs
lam kees bok

weide
does
hok duif schapen

Zo’n reeks heeft iets betoverends, iets bezwerends. Omdat het poëzie is. Klank en ritme, een muzikaal karakter, hardop zeggen, uit het hoofd leren, het zit er allemaal in. Aap-noot-mies, Ot en Sien, allemaal literatuur. Dat is natuurlijk geweldig, en zeker voor zoiets als een leesmethode. Maar is het ook effectief? Leren de kinderen zo ook werkelijk lezen, want daar gaat het toch uiteindelijk om.

De leesplank
Die woorden, daar is goed over nagedacht. Het zijn zogenoemde normaalwoorden, dat wil zeggen ze zijn klankzuiver.
Scha-pen is een uitzondering op de regel, vandaar het streepje boven de letter a, weide heeft een kleine e, vanwege de stomme klank. De stip op de o van bok, omdat die anders klinkt dan de o in hok is wel wat overdreven. [ In het noorden werd deze o anders uitgesproken, vandaar. Zowel Hoogeveen als Scheepstra kwamen uit het noorden. –cde- ]
Aan alles is gedacht, toch blijven er raadsels. Alles is oer-inheems, alles is door de kinderen al honderd keer gezien. Alleen die met de muts zwaaiende aap op het dak… Die aap is inderdaad een vreemd element. [ In de tijd waarin deze woorden door Jan Ligthart met vrouw en kinderen en Hindericus Scheepstra met vrouw en kinderen – en waarschijnlijk ook leerlingen van de Kweekschool, waar Scheepstra les gaf – bedacht werden, kon men in dorpen en steden rondtrekkende ‘kermisklanten’ aantreffen, die een aap – al of niet samen met een orgeltje – of een beer kunstjes lieten doen. –cde- ]

De vertelplaat
De vertelplaat geeft een beeld van het knusse dorpsleven. Alle figuren van de leesplank zijn er op terug te vinden, alles heeft zijn plaats.
En dan opeens in een flits herken ik de honden Does en Kees. Natuurlijk, ze horen bij de man met de baard en bij de aap met het rode jasje. Het zijn oude bekenden uit Alleen op de wereld. Teun. Aap. Kees. Does. Ze verwijzen naar Vitalis met het aapje Joli-Coeur… Of zie ik dat verkeerd?
[ Helaas heb ik in de briefwisseling tussen Ligthart en Scheepstra geen aanwijzingen voor deze uiterst interessante opmerking kunnen vinden. Hector Malot schreef ‘Sans Famille’ in 1878 en de eerste Nederlandse versie kwam in 1880 op de markt, dus het ligt voor de hand dat een van hen, of de vrouw van Jan Ligthart, Marie, die grote belangstelling voor kinderboeken en boeken in het algemeen had, dit boek gelezen heeft. –cde- ]

De handboeken
Het handboek is zeer beknopt en telt slechts 150 pagina’s. Heel wat minder dan de zwaargewichten van tegenwoordig. Dat kan omdat de leerkracht als de deskundige wordt gezien die verantwoordelijk is voor het onderwijs. (!) Ook de kinderen worden serieus genomen… Volgens Hoogeveen is het van essentieel belang dat kinderen hun vertrouwen in het systeem niet kwijtraken, want het gaat er niet alleen om dat ze leren lezen, het gaat ook om het leren denken. En hiermee was Hoogeveen zijn tijd ver vooruit.

Leesboeken
De eerste leesboekjes bij de methode vallen eerlijk gezegd wat tegen. De illustraties van Jetses zijn prachtig, sfeervol en warm, maar de verhaaltjes zijn nogal houterig en plichtmatig. Natuurlijk, vooral in het begin zijn er allerlei beperkingen, maar dan nog had het beter gekund. Maar dan, als het kind de eerste beginselen onder de knie heeft, komen Ot en Sien. Hier heeft Scheepstra meer de vrije hand gehad en ondanks de korte zinnen is de sfeer meteen anders: warm, intiem en persoonlijk. [ De schrijver van dit artikel geeft hier het verschil tussen teksten voor kinderen die nog niet kunnen lezen en kinderen die dat al wel kunnen aan. Vandaar de vele herhalingen en de wat houterige stijl. –cde- ]
Een schoolhoofd verzucht: Hoe aardig de leesboekjes van nu er ook uitzien, het is nog maar de vraag of ze het niveau halen van de boeken van vroeger. Boze tongen beweren zelfs dat met het terzijde schuiven van de methode-Hoogeveen het leesonderwijs een gevoelig verlies heeft geleden.

Carl Doeke Eisma


De aardrijkskunde van Gerard Jan Ligthart 

De Haagse onderwijzer Jan Ligthart keerde zich tegen ‘de vervloekte kunst om het leren tot een ellende te maken, tot een hersenkwelling en zenuwvernieling’. Als reactie ontwikkelde hij een eigen lesmethode die ‘het volle leven’ centraal zette. Ook de huidige aardrijkskundeles kan nog wat opsteken van Ligthart.  

Zoals de huidige onderwijspraktijk beheerst wordt door debatten over basisschool, middenschool, basisvorming, studiehuis enzovoorts, zo kende onderwijzend Nederland aan het begin van deze ( de vorige ) eeuw ook zijn discussies over vorm en inhoud van het onderwijs. Het lijkt wel alsof de opvattingen over het onderwijs als een slinger heen en weer bewegen tussen een meer leerlinggerichte en een meer leerstofgerichte visie op onderwijs, tussen de ontplooiingsschool en de kwalificatieschool. In het ene geval staan de mogelijkheden en de belangstelling van de leerlingen en de aantrekkelijkheid van het onderwijsaanbod centraal, in het andere geval de leerstof en de samenleving waarop het onderwijs kinderen moet voorbereiden.  

Die discussie speelde ook aan het begin van deze ( de vorige ) eeuw. In de ogen van velen was het onderwijs van die tijd veel te veel leerstofgericht. Kinderen zouden grote hoeveelheden feitenkennis moeten opnemen tijdens uiterst saaie en onaantrekkelijke lessen. Er kwam een vernieuwingsbeweging op gang die er voor pleitte in het onderwijs de ontwikkeling en ontplooiing van het kind tot een evenwichtige persoonlijkheid centraal te stellen. Niet langer zou de leerstof de dienst mogen uitmaken. Het zou moeten gaan om het volgen van de belangstelling, de ontwikkeling en de eigen interesse van het kind. Onder deze onderwijsvernieuwers was ook de Haagse schoolmeester Jan Ligthart. 

Het volle leven
Ligthart was vooral een man van de praktijk. Zijn beschouwingen over het onderwijs waren geen vrijblijvende speculaties, maar werden geboren uit de praktijk van het onderwijs aan zijn school in de Haagse Tullinghstraat. Daar probeerde hij concreet vorm te geven aan het zaakonderwijs zoals hij dat zag. In de praktijk moest het leerplan kinderen heel dicht bij de werkelijkheid brengen. Het ging er om dat kinderen gaandeweg op school een wereld zouden gaan bewonen, die door spel, arbeid en vertelling in het leven werd geroepen en waarin ze kennis konden verwerven van mensen, dieren, planten, dingen, bedrijven, vormen, maten, kleuren enzovoorts.
Kenmerkend voor Ligtharts zaakonderwijs is de oprechte belangstelling voor alles wat het volle leven te zien geeft. Als bevlogen schoolmeester en begenadigd verteller voerde hij zijn leerlingen mee, de wereld in. Met zijn zaakonderwijs markeerde Ligthart een belangrijk moment in de geschiedenis van de Nederlandse didactiek.  

Bijna een eeuw later, kunnen we ons de vraag stellen of we ook nu nog wat zouden kunnen leren uit het werk van Jan Ligthart. Wat we in onze tijd in het aardrijkskundeonderwijs zien is een beweging waarbij we proberen kinderen steeds meer actief bij de stof te betrekken. Methoden bevatten steeds minder tekst en steeds meer vragen en opdrachten. De meest recente ontwikkeling, het studiehuis, is daarvan een prachtig voorbeeld. Door leerlingen zelf actief met de stof bezig te laten zijn worden betere leerresultaten verwacht. Bij Ligthart zien we evenwel dat niet de activiteit op zich het leren stimuleert, maar slechts die activiteit, die door echte belangstelling gedragen wordt. En voor die belangstelling zijn in de eerste plaats verband en samenhang van verschijnselen belangrijk, het levensverband van het volle leven, en dat zijn zaken die door de grote nadruk op eigen activiteit nogal eens ondersneeuwen. Wil de aardrijkskunde kinderen bij de werkelijkheid brengen, dan moeten ze terug naar het verhaal van de geschiedenis van mens en wereld.
Willen we ons vak als oriëntatie van kinderen in de wereld serieus blijven nemen, dan moeten we weer leren kinderen bij de werkelijkheid te brengen, om hen pas dan met die werkelijkheid, die hen uitnodigt en die hen uitdaagt, zelf actief aan het werk te laten zijn.
[ Ik had het niet mooier kunnen zeggen. –cde- ]

Carl Doeke Eisma

 

'En eindelijk kwam de groote vijand Dr Gunning' 

In een brief, die de vrouw van Jan Ligthart in 1930 vanuit Zuid-Afrika naar een vriendin in Nederland stuurde, gaf ze onder meer haar mening over de houding van Johannes Hermanus Gunning ( 1859-1951 ) ten opzichte van haar man.
“Hij heeft mijn man dikwijls ontmoet en was altijd hoog en koel, afschuwelijk verwaand tegenover hem. In het begin bewonderde mijn man Gunning oprecht. Zeker niet om zijn academische opleiding. Als je je nog iets van Jan Ligthart herinnert weet je wel dat hij die hele academische opleiding, om het ruw te zeggen ‘aan zijn laars lapte’. Maar de naam Gunning had vroeger voor elke ontwikkelde Amsterdammer een goeden klank. De dragers van dien naam behoorden tot de grooten naar den geest. En wij gewone burgermenschen zagen tegen dat geslacht met zekere vereering op. Maar Gunning was jaloersch op de populariteit van Ligthart. Hij kon niet velen dat een man uit het volk opgekomen, en nog wel zonder academische opleiding een tijdlang een reputatie had die de zijne zeer verre overtrof. Hij nam elke gelegenheid waar om Ligthart af te breken. Mijn man heeft veel hinder gehad van de houding van Gunning. Gunning was altijd jaloersch op mijn man en hij is het zelfs nu nog. Hij is een geweldige autocraat en erg verwaand.”

Wie was deze verwaande autocraat?
In het  Biografisch Woordenboek van Nederland  ( deel 5 )  las ik onder andere het volgende over hem:
Jan Gunning stamde uit een vooraanstaand, academisch geslacht en groeide vanaf zijn zesde op in Amsterdam, als oudste zoon in een hoogleraarsgezin van acht kinderen. Na het gymnasium ging hij aan de Universiteit van Amsterdam klassieke talen studeren. Na deze studie aanvaardde hij een betrekking als leraar Grieks en Latijn aan het gymnasium in Utrecht. In 1888 werd hij conrector van het gymnasium te Zwolle en later rector. In 1898 werd hij privaatdocent in de praktische en theoretische pedagogiek aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. In 1902 werd hij schoolopziener en privaatdocent in Amsterdam. In 1917 werd hij wederom privaatdocent in Utrecht en later buitengewoon hoogleraar. ( Hij was de eerste door de rijksoverheid betaalde hoogleraar in de pedagogiek in Nederland.) Door afkomst, eruditie en enorme werkkracht was Gunning een man van groot gezag, die zich, vooral in familiekring, maar ook soms daarbuiten, patriarchaal en enigszins regentesk gedroeg.

Op 4 maart 1916 – kort na het overlijden van Jan Ligthart – schreef Gunning als redacteur van ‘Het Kind’  een artikel in voornoemd blad. Hij had het hier moeilijk mee. Na een lovend begin, schrijft hij het volgende: “ Voor mij persoonlijk echter kwamen hier nog twee hinderende omstandigheden bij, ten eerste dat ik in Amsterdam woonde en werkte, waar men van de Haagsche omgeving weinig merkt en er ook geen aanraking mede zoekt, waar ook op de scholen heel weinig van Ligthart’s invloed te bespeuren viel, eerder van oppositielust daartegen, en ten tweede, dat hij bij persoonlijke ontmoetingen tegen over mij een beminnelijke nederigheid ten toon spreidde, waar ik hem niet dankbaar voor kon zijn, omdat zij mij feitelijk op afstand hield, zoodat ik dan ook slechts één enkele maal, in een onvergeetlijk oogenblik, maar welks intimiteit alle verdere mededeeling verbiedt, toegelaten ben tot een vluchtigen blik door de even geopende deur van zijn ziel.”

Dat Gunning en Ligthart elkaar niet lagen is inmiddels wel duidelijk geworden.
In een brief van 28 December 1913, geschreven door Marie, de vrouw van Jan Ligthart, en gericht aan hun dochter Marie ( Lieve Zusselijne ) , beschrijft Marie hoe ‘de bovenmeesters’ reageerden op een door Jan Ligthart gehouden speech, met als onderwerp de methode ‘Het volle leven’.
“Vader en ik zijn weer veilig thuisgekomen. Het is Zondagmiddag. Vader ligt nog wat te rusten en ik wil van het beetje licht dat er nog is gebruik maken om je nog even te vertellen hoe het gisteren gegaan is. We zijn heel tevreden en je weet, dat ben ik niet gauw. Vader heeft een kranige speech gehouden, die de bovenmeesters echter ( natuurlijk ) niet overtuigd heeft. Er heerschte bepaald een min of meer vijandige stemming in de zaal, zooalniet ( of misschien toch ook ) tegen de persoon van Jan Ligthart, dan toch zeker tegen zijn methode, zaakonderwijs en concentratie. Vader sprak een goed uur, rustig en kalm met grootte zeggingskracht en ze waren een oogenblik onder den indruk. Maar toen barstte het los. Eerst vriend Verburg die hoonend vroeg of we het nu over het zaakonderwijs gingen hebben ( donderend applaus! ) en op het bevestigend antwoord met een heele rij grieven over ‘het Volle Leven’ aankwam. Vader die hierop ten volle had gerekend diende hem daarop netjes, tot groot genoegen van v.d. Meulen die naast hem zat en zich al doodgeergerd had. Verburg droop letterlijk af als een kwajongen die in een hoek werd gezet. Toen kwam vriend Nieuwenburg op de proppen. Die haalde iets aan uit de handleiding ( geheel uit z’n verband natuurlijk ). Dat is oneerlijk riep vader, en v.d. Meulen en Vrij en nog een paar. Nieuwenburg woedend. Maar vader zei, mag ik het boekje ook eens van U? Hij gaf het, en nu las vader heel duidelijk en klaar een stuk voor waaruit duidelijk bleek dat N. met opzet of per ongeluk de zaak verkeerd had voorgesteld. Nieuwenburg onthutst af. Dat was de lui niet naar den zin, maar niemand durfde op te komen. Ze mompelden maar durfden niet voor den dag komen. Vader was vol strijdlust en daagde iedereen uit om op te komen met z’n grieven. Hij wou hier tot tien uur blijven staan ( v.d. Meulen tot ons, ja, maar dat mag hij niet van ons ) Maar niemand kwam. Toen sprong Anton Schreuder op vol verontwaardiging en verweet de vergadering haar onwaardige houding en stelde Jan Ligthart hen tot een voorbeeld, zei dat de menschen trotsch op hem moesten zijn enz. En eindelijk kwam de groote vijand Dr Gunning. Die bracht eerst in hartelijke zeer waardeerende woorden een eeresaluut ( dat de vergadering niet smaakte ) aan de persoon van Jan Ligthart, als mensch en als schoolmeester, een man die alles kon, als Pestalozzi en Fröbel, maar die doordat hij evenals zij gedaan hadden, z’n volgelingen te hoog aansloeg, in sommige dingen fiasco leed. En nu ontvouwde hij z’n grieven tegen ’t zaakonderwijs maar hij deed het toch fijn en netjes en vol referentie voor vader. In tusschen ( het was over vijven ) verliep de vergadering geheel. De menschen liepen weg. Maar na afloop drukte ‘de vijand’ vader hartelijk de hand. Hij was erg zenuwachtig, maar vader heelemaal niet. Die had dit alles verwacht en was heel tevreden. Net als ik. V.d. Meulen trok vader letterlijk de zaal uit omdat hij bang was dat we te laat voor den trein kwamen, en Schreuder en nog een paar brachten ons weg. V.d Meulen en de beide ‘Vrij’s ‘waren allerhartelijkst zoo ook Dikkie Daalder die stom van verwondering was over de botheid van het schoolmeesterdom…”

Marie is Gunning de rest van haar leven ‘de vijand’ blijven noemen.
De opmerking van Gunning, dat Ligthart z’n volgelingen te hoog aansloeg, is overigens zo dom nog niet. Dit zou wel eens de reden kunnen zijn, waarom de methode Het volle leven  - zeker in zuivere vorm – slechts kort gebruikt is, zelfs op de school in de Tullinghstraat.

 

Het zal je schoonzoon maar wezen!

De oudste dochter van Jan Ligthart en zijn vrouw Marie - Bep genaamd - is getrouwd geweest met Floris Hers. In 1915 is hun zoontje Jan geboren. Jan Hers leeft nog en woont in Zuid-Afrika. (Bep is min of meer met haar zoontje naar Zuid-Afrika gevlucht omdat dit één van de weinige mogelijkheden was om haar man Floris te ontlopen. Dat hier van een ongelukkig huwelijk sprake was zal duidelijk zijn.)
Hoewel de vader van Marie de calvinistische leer aanhing, was hij van joodse afkomst. Marie heeft zich altijd sterk tot het Joodse volk aangetrokken gevoeld, zoals ook uit haar boek: Door Erets Israël  blijkt. Hierin schrijft ze onder meer: “ M’n vader was een Jood, maar z’n ouders waren toen hij nog een kind was tot het Christendom overgegaan. Hoewel de familie daardoor het contact met het Joodsche volk verloren had, bleven eenige harer leden, waaronder ook m’n vader, zich gedurende hun geheele leven Joden gevoelen. Toen ik later als jonge onderwijzeres tot mijn groote vreugde geplaatst werd, aan een volksschool waar bijna enkel Jodenkinderen school gingen, leerde ik ‘mijn’ volk ter dege kennen en ik voelde me in ’t diepst van mijn wezen aan mijn scholieren verwant. Geen wonder dus dat de Zionistenbeweging onmiddellijk mijn volle sympathie had.”
Marie is in 1946 overleden en heeft de Tweede Wereldoorlog dan ook in volle omvang meegemaakt.

Onlangs kwam ik in het boek: Wassenaar in de Tweede Wereldoorlog ( 1995 )     voornoemde Floris Hers tegen en na lezing van onderstaande tekst zal het u duidelijk zijn waarom ik voor de titel van dit stukje  gekozen heb.

De groepsleider van de NSB in Wassenaar was de arts: dr. Floris Hers. In 1933 werd hij als lid van de NSB ingeschreven onder stamboeknummer 8381. Van oktober 1937 tot oktober 1940 was Floris Hers groepsleider van de NSB. De massabijeenkomsten met kopstukken als Mussert, Van Geelkerken en Rost van Tonningen werden altijd door hem ingeleid. Zijn echtgenote was eveneens lid van de NSB. ( Hij was kennelijk voor de tweede keer getrouwd. Misschien wel met het dienstmeisje, waar hij tijdens zijn eerste huwelijk al een verhouding mee had. –cde- ) “Ik zag in Hitler den man, die voor het menschdom betere levensvoorwaarden zou scheppen en Europa voor de economische en moreele ondergang zou behoeden.” Zijn activiteiten tijdens de bezetting zijn weinig verheffend geweest. Hers zou tegen een assistent hebben gezegd:  “De joden gaan weg en komen nooit meer terug; ze worden allen afgemaakt. Joden is toch allemaal gespuis.” In juni 1944 is hij als arts in actieve dienst getreden bij de Waffen SS. Op 6 februari 1948 hoorde Hers 20 jaar gevangenisstraf tegen zich eisen. ( Deze straf is later tot 10 jaar verminderd.) In mei 1957 is hij overleden.
In hoeverre Marie op de hoogte is geweest van het doen en laten van Floris Hers tijdens de Tweede Wereldoorlog is mij niet bekend.

Carl Doeke Eisma

 

Wie kan er nog iets nieuws verzinnen?

Het valt mij op, dat wanneer er in een wetenschappelijk getint betoog iemand ter sprake komt, de schrijver vrijwel altijd een poging onderneemt om vast te stellen, door wie die iemand beïnvloed is. Nu weet ik wel, dat er weinig oorspronkelijks bedacht wordt, maar aan de andere kant moet je wel heel zeker van je zaak zijn, wil je die beïnvloeding hard kunnen maken. Jan Ligthart ontkomt hier ook niet aan. Hier en daar wordt hij zelfs de Nederlandse Pestalozzi genoemd. Of Pestalozzi of Ligthart hiermee tekort gedaan wordt moet u zelf maar uitmaken. De volgende namen worden in dit verband vaak genoemd: Johann Heinrich Pestalozzi ( 1746-1827 ), Georg Michael Kerschensteiner ( 1854-1932 ), Johan Friedrich Herbart ( 1776-1841 ) en Friedrich Frobel ( 1782-1852 ).
Zo onderneemt – als voorbeeld – Barbara C. de Jong in haar boek: Jan Ligthart ( 1859-1916 ) Een schoolmeester-pedagoog uit de Schilderswijk, een poging om hem ergens tussen Pestalozzi en Kerschensteiner te plaatsen. ( blz. 7 ) Dat Ligthart kennis genomen heeft van het werk van bovenstaande mannen, neem ik zonder meer aan. Een enkele keer verwijst hij dan ook naar hun werk.
Ik zou me echter niet durven wagen aan een schatting, hoe groot de verwantschap tussen (één van) hen en Ligthart is.

Nu ontbreekt er minstens één naam in bovenstaand rijtje en naar mijn – niet eens zo bescheiden – mening is de verwantschap tussen hem en Ligthart duidelijk aanwezig. Ik doel op John Dewey ( 1859-1952 ) en dan niet alleen omdat ze beiden in hetzelfde jaar geboren zijn.
Heeft Ligthart hem wel eens genoemd? Ja. In een aantal artikelen in School en Leven  - te beginnen op 28 mei 1908 – schrijft hij over ‘Een medestander in Amerika’. Toen enkele Russen uit Moskou een bezoek brachten aan de school in de Tullinghstraat, ze waren op doorreis via Amerika en Engeland, vroegen ze Ligthart of hij wist, dat er in Amerika scholen waren, waar dezelfde beginselen gehuldigd werden als op zijn school. ‘Neen, daar wist ik niets van. Dan moest ik maar eens een prospectus aanvragen bij Prof. Dewey te New-York van zijn scholen te Chicago en New-York, dat zou me stellig interesseeren. Het verheugde me natuurlijk hartelijk, dat aan de andere zijde van den Atlantischen Oceaan de uitvoerbaarheid van onze eigen idealen bewezen was, doch door allerlei omstandigheden kwam er van die prospectusaanvrage niets. Maar zie, daar kreeg ik gisteren een boek in huis, Méthodes Américaines d’éducation générale et Technique, par Omer Buyse, een lijvig doch zeer prettig leesbaar boek, en daarin vond ik een paar hoofdstukjes over den arbeid van Dewey. ( Het boek ligt hier voor me en hij heeft gelijk.) Reeds de illustraties overtuigden me van een inderdaad bizondere gelijkheid van streven met ons grijpen naar “het volle leven”. De ideeën waren in menig opzicht dezelfde. En dan vooral ook dat hoofdidee: Leeren door doen.’
’De ontwikkeling van het kind doorloopt, onder invloed der opvoeding, de ontwikkelingsphasen, die de evolutie der menschheid, in ’t bizonder die van het Arische ras, in den loop der eeuwen hebben gekarakteriseerd. Het type mensch, dat tot model dient, is de Ariër en niet de Roodhuid, die, door totnogtoe onbekende oorzaken, in zijn ontwikkeling is blijven stilstaan’ ( sic.) , zo valt te lezen in het boek van Omer Buyse.
Wie meer wil weten over de ideeën van John Dewey die aansluiten bij de methode Het volle leven  raad ik aan de volgende nummers van School en Leven te lezen: negende jaargang, nummers 39, 43, 44 en 45.
Jan Ligthart eindigt met de volgende zin: ‘En dan is ’t voorloopig weer uit met deze kwestie, totdat er zich wellicht een medestander aanmeldt in – Australië! Of aan den Zuidpool!

Carl Doeke Eisma

 

Het verbeterde leesplankje van Hoogeveen
of
Ligt de waarheid nog steeds in het midden?

Inleiding
In de maand april van het jaar 1914 heeft M.B.Hoogeveen een voorbericht geschreven in de vijfde druk van de Handleiding voor het aanvankelijk leesonderwijs, dat er niet om liegt.
Via dit artikel wil ik een poging wagen om enige duidelijkheid te scheppen in de gang van zaken rond het ontstaan van dit verbeterde leesplankje.

Alvorens mij tot dit plankje te beperken lijkt het me verstandig enige uitleg te geven over het fenomeen leren lezen door middel van een plankje voorzien van plaatjes en letters en enkele losse lettertjes.
Hoewel Hoogeveen als eerste gebruik maakte van het leesplankje als leermiddel, ga ik ervan uit, dat deze gedachte uit Duitsland afkomstig is. In een brief uit 1930, geschreven door de vrouw van Jan Ligthart, Marie, maakt ze duidelijk dat dit idee niet van Hoogeveen was, “maar uit het duitsch”.

Nu is het niet zo dat men zich beperkt heeft tot deze leesplankjes. Ook andere hulpmiddelen konden het leren lezen ondersteunen. Ik noem er enkele.
De wandplaten.

Hierdoor werd het leesproces een stuk aangenamer en bovendien werd zo het geheugen ondersteund.
Als voorbeeld: de vertelselplaat van Hoogeveen, de leesplaat van Colenbrander en het klassikale leesbord van Bekker.
Het schoolbord.
Zo kan de leerkracht het ontstaan van de letters duidelijk maken en bovendien kunnen woordjes die op dat moment van belang zijn opgeschreven worden.
De leesboekjes.
Hier gaat het vooral om begrippen als afwisseling en herhaling.
De illustraties.
Juist de plaatjes maken de boekjes voor de leerlingen aantrekkelijk en zo wordt de belangstelling voor de leerstof verhoogd.
Voorwerpen
Hoogeveen stelde voor om een verzameling van voorwerpen aan te leggen, om de leerlingen tot het inzicht te brengen, dat dezelfde lettergeluiden in vele woorden terugkeren. ( bal - bel, boon - boor.)
In de titel is sprake van een verbeterd leesplankje. We mogen dan ook aannemen dat het hier niet om een eerste exemplaar gaat. Over de vraag wie het allereerste leesplankje in ons land bedacht heeft, lopen de meningen uiteen. Na het lezen van een zestal publicaties die hier een antwoord op proberen te geven hou ik het toch op M.B. Hoogeveen. ( 1863 – 1941 )
Van 1888 tot 1894 was hij hoofd van een school in Stiens. In Het Schoolblad  van 12 april 1892 schrijft hij een artikel waarin hij uitlegt hoe er met een klassikale leesplank gewerkt kan worden. “ Voor de klasse, tegen den werkmuur, een ezelbord of anderszins brengen we een paar horizontale plankjes aan. In den voorkant hiervan slaan we spijkertjes. Aan ieder spijkertje hangen we een rechthoekig stukje lei, waarin we een gaatje geboord hebben…”
Toegegeven het gaat hier om een klassikale leesplank, maar volgens de overlevering heeft hij in diezelfde periode een kleiner plankje voor zijn zoontje gemaakt.
In 1894 komen we Hoogeveen tegen als hoofd van een school in Deventer.
Drie jaar later geeft de uitgeverij M.D. Brinkgreve te Deventer een leesplankje uit, evenals een klassikale leesplank, een handleiding, een toelichting en zes leesboekjes. ( Het zou me niet verbazen als dat plankje voor zijn zoontje hier model voor heeft gestaan.) Het gaat dan om een plankje met 2 rijen woordjes. Erg gunstig werd dit leermiddel niet ontvangen. “Een allerslordigst afgewerkt ding…” Een jaar later, in 1898, volgde dan ook al een tweede versie. Nu staan er 3 rijen woordjes op en de oplage was niet gering, 3000 exemplaren!
Eén van de voornaamste redenen waarom Hoogeveen van dit leermiddel gebruik maakte – een plankje met losse lettertjes – was wel, dat de leerlingen tot een zekere zelfstandigheid gedwongen werden. Zeer modern voor die tijd.
De hiervoor genoemde toelichting bevat enkele opmerkelijke wenken die ik u niet wil onthouden. “Wie vuile handen heeft, mag niet meedoen; hiervoor waarschuwe men de vorige dag reeds.” Ik moet er niet aan denken, dat zo’n letterkaartje zoek zou raken, want: “Zoo mogelijk stelle men als regel, dat zoo’n kaartje teruggekocht moet worden.”
Waarschijnlijk in 1900, maar in ieder geval voor eind 1901 kocht de uitgeverij Wolters te Groningen op een veiling de hele oplage van dit plankje met toebehoren op. Na enkele wijzigingen te hebben aangebracht – de plankjes werden iets groter en de plaatjes duidelijker – kwam de eerste versie van Wolters in 1901 op de markt. Ondanks de lovende woorden die een groot deel van de toelichting in beslag namen werden er niet zoveel plankjes verkocht. Overigens veranderde Wolters niets aan de toelichting zelf. In het exemplaar dat ik in mijn bezit heb plakte de uitgever over de tekst: FIRMA BRINKGREVE,
DEVENTER 1905 eenvoudig een strookje met de tekst: TE GRONINGEN BIJ J.B. WOLTERS.
In 1908 volgde een soortgelijke uitgave, maar de verkoopcijfers waren nog steeds niet indrukwekkend. ( De man die bij de uitgeverij Wolters het belang van onderwijsuitgaven op niveau inzag, E.B. ter Horst Jr. was in 1905 overleden, maar zulks terzijde.)
Dat er iets ingrijpends zou moeten gaan gebeuren, wilde men zo’n leesplankje tot een succes maken werd langzamerhand duidelijk. Er moest op z’n minst van een verbetering sprake zijn. 

Het is niet bij dit plankje van Hoogeveen gebleven.
Een tweetal plankjes wil ik u dan ook niet onthouden.
Op dezelfde school in Deventer, waarvan Hoogeveen hoofd was, werkte de onderwijzer J.H. Colenbrander ( 1865 – 1947 ) Het ligt voor de hand, dat hij bekend was met het plankje dat Hoogeveen bedacht had.
In 1903 verscheen bij de uitgeverij AE. E. Kluwer te Deventer de methode van J.H. Colenbrander en D. van der Meulen. Een onderdeel van deze methode vormde een “ Hoofdelijke leesplaat met letterdoosje. Het onderste deel op hout als leesplankje.”
Jaren later, in 1913, heeft de Rotterdamse onderwijzer J.S. Verburg zich afgevraagd of hier van plagiaat sprake zou kunnen zijn. Hij heeft hier uitgebreid onderzoek naar gedaan, o.a. door middel van een briefwisseling met Hoogeveen en Colenbrander. De beschuldigingen vlogen over en weer. Uiteindelijk kwam Verburg tot de conclusie dat Hoogeveen dit leermiddel als eerste gebruikt heeft. [ volgens mij terecht –cde- ]
En om de zaak nog ingewikkelder te maken: Jaap ter Linden, de vorige directeur van het Onderwijsmuseum heeft mij verteld, dat hij het vermoeden heeft, dat er een oerplankje zou bestaan of bestaan zou hebben. Hoogeveen en Colenbrander hebben hun vak geleerd op de Kweekschool te Deventer en daar zou deze oerversie dan ontwikkeld zijn. Tot nu toe heb ik hier echter geen enkel bewijs van gevonden.
Frater Euthymius Becker heeft in 1905 ook een plankje ontwikkeld. Gezien de naam van de ontwerper zal het u niet verbazen dat het hier om een plankje voor de katholieke scholen gaat. Er wordt gesproken van een “Hoofdelijk leesbordje met letterdoosje.” Dit plankje werd – evenals de andere leermiddelen die bij de methode Bekker horen – uitgegeven door het R.K. Jongensweeshuis te Tilburg.

Het verbeterde leesplankje van Hoogeveen
In 1914 verscheen een voorbericht in de handleiding van Hoogeveen waarin hij uitlegt hoe het verbeterde leesplankje vorm gekregen heeft. Even voor de duidelijkheid; Ligthart en Jetses moeten hier kennis van genomen hebben, Scheepstra was overleden. Helaas heb ik geen reactie van beiden op deze wonderlijke voorstelling van zaken kunnen vinden.
Wat schrijft hij?
“Mede naar aanleiding der uitgave van een geschriftje, geheel buiten mijn voorkennis verschenen … waarin mijn methode wordt ‘geschetst’, meen ik te mogen opmerken … dat ook het leesplankje in zijn tegenwoordigen vorm  ( door de firma J.B. Wolters geannonceerd als “Verbeterd Leesplankje” ) nog mijn zuiver en ongedeeld geestelijk eigendom is. Zooals men zich zal herinneren, was het stel normaalwoorden bij de vorige uitgave: raam, roos, neef, fik, gat, wiel enz. In § 23 dezer Handleiding geef ik aan, waarom ik dat door het tegenwoordig stel heb vervangen. Mijn medewerkers voor de leesboekjes hebben daarbij in geen enkel opzicht eenigen invloed uitgeoefend, noch op de in § 23 vermelde “eischen”, noch op de keuze der personen, dieren en zaken, welker afbeeldingen op het leesplankje voorkomen en die als gevolg daarvan in de leesboekjes optreden, noch op de vertelling …”
Leiden, April 1914.
Laten we eens kijken of § 23 ons iets verder brengt.
“ Toen dus de firma Wolters haar voornemen te kennen gaf, de plaatjes opnieuw te laten teekenen, heb ik van de gelegenheid gebruik gemaakt en een nieuw stel normaalwoorden gegeven…”
In § 24 schrijft hij: “En bij ’t neerschrijven dier vertelling [ Hoogeveen doelt hier op de leesboekjes die bij de methode horen –cde- ] werd door mij de wenschelijkheid gevoeld eener plaat ter illustratie , tot welker uitgave de firma zich onmiddellijk bereid verklaarde.”

Tot zover de versie van Hoogeveen.
Je vraagt je af, waarom hij deze voorstelling van zaken geeft. In het vervolg van dit artikel hoop ik duidelijk te maken dat dit wel erg bezijden de waarheid is. Het idee van dit leermiddel kunnen we aan hem toeschrijven evenals het schrijven van de Handleiding, en daarmee alleen al heeft hij zich meer dan voldoende bewezen.  Bovendien heeft hij het tot directeur van de Kweekschool te Leiden gebracht en dat zegt toch ook wel iets.
Nu ik dit zo opschrijf schiet me een tweede voorval te binnen dat iets zegt over de werkwijze van Hoogeveen.
Cornelis Jetses ( 1873 – 1955 ) heeft een prachtige uitvoering van het verbeterde plankje geschilderd, speciaal voor prinses Juliana. Op verzoek van haar moeder kreeg zij les volgens de ideeën van Jan Ligthart en ook zij heeft leren lezen met behulp van dit plankje. Hoogeveen en Jetses hadden afgesproken om dit plankje samen aan te bieden. Toen puntje bij paaltje kwam heeft Hoogeveen dit alleen gedaan! Dat Jetses dit niet erg gewaardeerd heeft zal u niet verbazen. Hij was er echter de man niet naar om hier veel ophef over te maken. Hoogeveen wilde kennelijk alleen met de eer gaan strijken.

Gilles van Hees, hoofd ener school te Amsterdam, schrijft in 1951 in de Handleiding: “Dan volgen we wel de handleiding van Hoogeveen en het prachtige werk dat Ligthart en Scheepstra – en Jetses – daar met hem omheen geschapen hebben…”
Jan A. Niemeijer, de auteur van enkele boeken over Jetses, schrijft in 1999:
“Het Hoogeveen-materiaal werd nog wel een tijdlang verkocht, zelfs met nieuwe getekende voorstellingen, maar toen werd besloten om alles grondig te vernieuwen, omdat men een speelsere opzet wilde… en een betere kwaliteit. Het lag natuurlijk voor de hand het succesvolle trio Ligthart-Scheepstra-Jetses met die taak te belasten. Uitgaande van het door Hoogeveen ontwikkelde basisprincipe, stelden Ligthart en Scheepstra toen een praktisch nieuwe leesmethode samen, waarvoor Jetses de illustraties maakte.”
Die betere kwaliteit is zeker gelukt al was het alleen al door de prachtige illustraties van Jetses. In Schoonheid en Opvoeding, vierde jaargang 1910 staat hierover: “Welk een feest, die leeslessen aan de hand van Hoogeveens klankmethode! Maar o wee! Leesplank en leesplankjes hebben nauwelijks den toets van den schoonheidszin kunnen doorstaan, de boekjes kunnen dit nog minder. Hoe dus voortgaan? De moeilijkheid is opgelost. Onlangs verscheen: De zes leesboekjes van M.B. Hoogeveen, Jan Ligthart en H. Scheepstra keurig uitgevoerd.”
De verhaaltjes in deze zes boekjes sluiten wonderwel aan bij de boekjes van Ligthart en Scheepstra die daarvóór verschenen zijn. Logisch, de teksten zijn ook van Scheepstra en Ligthart – de volgorde is niet toevallig – en zeker niet van Hoogeveen. 

Op 21 april 1930 schrijft de vrouw van Jan Ligthart vanuit Zuid-Afrika een uitgebreide brief aan een vriendin van haar, waarin ze onder andere de gang van zaken rond het ontstaan van dit verbeterde plankje uitlegt. ( Er wordt wel eens beweerd, dat ze de rol van haar man wat al te mooi voorstelt, maar u mag van mij aannemen dat dit onzin is. Zo was Marie niet, zoals ook uit de tientallen brieven die ik van haar gelezen heb, blijkt. )
“Wat de Hoogeveentjes betreft nog dit. Wolters had de bestaande serie op een veiling gekocht van Kluitman [ Ze bedoelt Brinkgreve –cde- ] die er mee in z’n maag zat, daar ze heelemaal niet gingen. De firma vroeg de vrienden [ Ligthart en Scheepstra –cde- ] ze wat op te lappen, maar dat ging boven hun macht. Toen wierpen ze de heele serie in een hoek en schreven een geheel nieuwe. Dat wil zeggen, Ligthart bedacht de geschiedenis, Scheepstra schreef de boekjes. Ligthart zette een plaat in elkaar, Scheepstra teekende die. Jetses teekende die later over. Samen zochten ze de woordjes voor het leesplankje. Toen alles klaar was moest Hoogeveen 1/3 van de opbrengst hebben omdat de idee van het letterplankje van hem ( niet van hem maar uit het duitsch ) was en de oorspronkelijke serie ook.”
Uit diverse brieven blijkt dat in de gezinnen van Ligthart en Scheepstra vol enthousiasme aan deze opdracht is gewerkt. Zeker ook door de vrouwen, beiden immers onderwijzeres, en zelfs door de kinderen. Scheepstra, die leraar op de Kweekschool te Groningen was, heeft er zelfs zijn leerlingen mee lastiggevallen. Meesterlijk gekozen al die woordjes! Al die dieren, kinderen en volwassenen lenen zich bij uitstek voor verhaaltjes en voor de samenhang in de vertelselplaat. Die plaat alleen al geeft aanleiding tot het vertellen van prachtige verhalen. De aap in de dakgoot waar alle ogen op gericht zijn…

Dat dit verbeterde leesplankje tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw dienst gedaan heeft - Jetses heeft rond 1930 vrijwel alle illustraties aan de moderne tijd aangepast - verbaast mij niets. Ik vraag me wel eens af of de methoden die daarna bedacht zijn verbeteringen zijn. Hoewel, dat vraag ik me niet af, ze zijn het niet.

                                                                           Carl Doeke Eisma

Literatuur en bronnen

Coster, W (1991). Leesonderwijs, leren lezen met plaatjes en plankjes. Lelystad: Actuele onderwerpen no. 2379.
Eisma, Carl Doeke (2002). Meester Ligthart ‘Wim, Zus, Jet’ en al die andere kinderen. Voorburg: “De Nieuwe Haagsche”.
Heynen, P.H. (1915). Leidraad bij de bespreking met kweekelingen van de methodiek van het lezen. Zutphen: W.J. Thieme en Cie.
Niemeyer, Jan A. (1999). De geschiedenis van het Leesplankje. Elst (Gld): Sertons International B.V.
Schoot, Wiep van der (1995). Lezen van een plankje. Twee eeuwen aanvankelijk lezen. Rotterdam: Nationaal Schoolmuseum.
Archief Groningen.  Enkele brieven, waaronder: Brief van Marie Ligthart aan Betsy van Zutphen.